BZH Historie

Algemene Historie deel 1

Algemene Historie deel 2  Aanleg van de wijk 

 

Haagse Bos

Acte van Redemptie

Boschlust tot Babylon

Babylon tot New Babylon

 

Enige korte bijdragen van Carel Wiemers

De Tol op de Laan van Nieuw Oost-Indië 

Uitgaan langs de Bezuidenhoutseweg

Hofje van Hoogelande

Huis ten Bosch

Juliana van Stolberg monument

Omstreden Triumfatorkerk

Theresiastraat

Pieter Lyonet, ‘grondlegger’ van Bezuidenhout

Panorama Bezuidenhout

Centraal Station

De vergeten glorie van een schaatstraditie

Mariakerk Bezuidenhoutseweg

Wilhelminakerk en een eigenzinnige vorstin 

Prinses Carolina’s geliefde plekje aan het Bezuidenhout

 

 

Voor vijf cent de grens over naar Voorburg

Nog geen eeuw geleden moest tolgeld worden betaald om de grens tussen Den Haag en Voorburg te passeren. Op 18 augustus 1928 sneuvelde de ‘grenspost’ in de gezegende ouderdom van 270 jaar als gevolg van het Haagse besluit de Laan van Nieuw Oost-Indië te veranderen in een autosnelweg naar Duitsland.

Op 8 augustus 1658 stelden de Graven van Holland en West-Friesland de tol in op het Gravelijke Pad van het Haagse Binnenhof naar de oude Romeinse vestiging in het huidige Voorburg. De Schenkwetering vormde de grens tussen beide plaatsen. Het tolhuis stond op de plek waar nu het Ministerie van Sociale Zaken is gevestigd.

‘Een Persoon te Voet’ moest 5 cent neertellen om verder te mogen. Hetzelfde tarief gold voor ‘Elk Viervoetig Dier’. Voor een koets met ‘Een tot Vier Menschen’ moest 20 cent worden neergeteld. De koetsier van een paard en wagen met goederen betaalde 10 cent voor het laten openen van het tolhek. Als er kermis was in Voorburg, was het dubbel feest voor de Hagenaars. Voor hen werd het tarief dan gehalveerd.

Met het verdwijnen van de tol verdween ook de charme van de Laan van NOI. Het Haagse stadsbestuur maakte resoluut een einde aan het in het midden gelegen door bomen omzoomde knisperende schelpenpad, waar de wandelaars op een bankje onder de beschutting van het groene loof even konden uitrusten. De bewoners van de statige woonhuizen langs de laan verloren hun idyllische uitzicht. Wrang is dat dit alles werd opgeofferd voor een autosnelweg die er nooit is gekomen.

Laan van Nieuw Oost-Indië, De automobiel, die de nachtpostritten heeft verzorgd tijdens de spoorwegstaking van 1903, rijdt door de tol de stad binnen. 15 mrt 1903 Haags Gemeente Archief

 

Uitgaan langs de Bezuidenhoutseweg, een verloren eeuwenoude traditie

Vanaf de zeventiende tot aan de twintigste eeuw groeide het aantal eet- en drankgelegenheden langs en in het Haagse Bos gestadig. Totdat deze lange traditie van het Bezuidenhoutse uitgaansleven in de loop van de vorige eeuw in vrij korte tijd verloren ging.

De herbergen ‘Nieuw Oost-Inje’ en ‘Het Bonte Koetje’ waren drie eeuwen geleden al twee geliefde rustpunten langs de Bezuidenhoutseweg. In de achttiende eeuw treffen we langs dit voormalige grafelijke zandpad uitspanningen aan met wél klinkende namen als ‘Boschhek’, ‘Hotel ‘Bellevue’, ‘De Zwaan’, ‘De Hollandsche Tuin, ‘De Roos’, ‘De IJzeren Man’ en ‘Het Fortuin’.

Leidsestraatweg, het Roomhuis Boschhek ca 1915 Haags Gemeentearchief

Horeca profiteert van toenemend verkeer en wandelaars in het bos

In de negentiende en twintigste eeuw volgden meerdere cafés, restaurants en hotels. De horeca- ondernemers dankten hun klandizie aan het steeds drukkere verkeer op de Bezuidenhoutseweg tussen Den Haag en Leiden. Ook talloze Hagenaars, die in hun vrije tijd een wandeling door het Haagse Bos maakten, streken tussentijds regelmatig neer in deze gelegenheden of daarbuiten op het terras.

Bezuidenhoutseweg 17-19 hotel cafe restaurant De hertenkamp ca 1930 Haags Gemeente Archief

‘De Hertenkamp’, het stamcafé van vele gepensioneerden, was een van de bekende namen in de tijd.

Bezuidenhoutseweg 11-13 cafe restaurant Den Hout 1935 Haags Gemeente Archief

Bezoekers van ‘Den Hout’ konden tijdens de maaltijd of een drankje communiceren met andere gasten. Op elk tafeltje stond een telefoontoestel.

Bezuidenhoutseweg Schenkweg cafe-restaurant Hermitage ca 1940 Haags Gemeentearchief

‘De Hermitage’ trok vooral rustig publiek. Jeugdige aanhangers van het uitgaansleven vonden elkaar in ‘Bosch- en Veldzicht’ ofwel ‘Terborgh’. De nauwelijks verlichte bovenzaal leende zich uitstekend voor intieme ontmoetingen.

Boslaan 1, hoek Bezuidenhoutseweg, hotel-café-restaurant Carlton juli 1933 Haags Gemeentearchief

Het hotel-café–restaurant ‘Carlton’ had een feeëriek verlicht terras.

Bezuidenhoutseweg 207, Restaurant cafe Vijverhof op hoek Laan van NOI april 1940 foto H A W Douwes Haags Gemeente Archief

De intieme ‘Vijverhof’ met een piepklein terras had een zaaltje voor bijeenkomsten van verenigingen. ‘Rief’ had zich gespecialiseerd in het onderbrengen van pensiongasten. ‘Boschzicht’ was een gezellig cafeetje voor de kleine man.

Bezuidenhoutseweg 2 Cafe Restaurant Boschlust ca 1938 Foto Willy Schurman Haags Gemeente Archief

Het café–restaurant ‘Boschlust’ was bij velen geliefd vanwege het fraaie terras en werd befaamd door de veel besproken recepties en huwelijksdiners.

Bezuidenhoutseweg restaurant Overbosch richting Laan van NOI 24 juni 1933 Haags Gemeente Archief

De verderop langs de Bezuidenhoutseweg gelegen herberg ‘Overbosch’ was met zijn grote terras en speeltuin vooral populair bij gezinnen met kinderen.

Veel bezochte pleisterplaatsen in het Haagse Bos

Al deze horeca-instellingen langs de Bezuidenhoutseweg zijn inmiddels verdwenen. Ook de drie in het Haagse Bos vermaarde gelegenheden.

Haagse Bos, ingang van tent van Sociëteit De Witte Foto Henri de Louw ca 1918 Haags Gemeentearchief

De ‘Tent in het Bos’, exclusief voor de leden van de Buitensociëteit ‘De Witte’ met hun gezinnen. Deze was bij velen in trek vanwege de openbare concerten van de Koninklijke Militaire Kapel op zondagmiddag en woensdagavond. Even verderop in het bos lag de uitspanning ‘Het rad van avonture’. De pleisterplaats ‘Het Roomhuis’ kent echter een lange en bijzondere geschiedenis:

Tijdens een rijtoer van het Binnenhof naar het Haagse Bos ruim drie eeuwen geleden belandde Jacob van Aerssen, zoon van de president van het Hof van Vlaanderen, in de uitspanning ‘Het Boschhek’. Hij liet zich de ‘singulier fijne Rijnwijn’, die de kastelein hem serveerde, goed smaken, vermelden geschriften uit die tijd over deze ‘playboy’.

In de vijftiende eeuw hadden de Graven van Holland een hek met portierswoning geplaatst aan het eind van hun jachtgebied bij de grens van Wassenaar om stropers en houtdieven tegen te houden. De bewakers van ‘Het Boschhek‘ begonnen vele jaren later de langstrekkende, dorstige wandelaars te voorzien van afgeroomde melk. De tot uitspanning uitgegroeide portierswoning kreeg daarom de naam ‘Roomhuis-Boschhek’.

Door de toenemende belangstelling van het publiek werd het etablissement uitgebreid met een serre en een ruim terras. In de volksmond werd het ook wel ‘Willemsoord’ genoemd. Het dankte deze naam aan de vrijwel dagelijkse bezoeken van Koning Willem I (1772-1843). Voor het bedienend personeel was het dus bijna elke dag: Koningsdag.

 

Hoogtijdagen in Hofje van Hoogelande

Onopvallend, geheel opgenomen in het bewoonde straatbeeld van Bezuidenhout ligt aan de Johannes Camphuijsstraat een hofje voor bejaarde vrouwen. Vredige huisjes rondom een groene en strak ingerichte binnentuin, waarin de bewoonsters haar benodigde rust vinden. Zij hebben dit te danken aan Jonkheer Eduard van Hoogelande. Deze liet in de 17e eeuw voldoende geld na om eeuwenlang arme vrouwen een onbezorgde oude dag te bezorgen. Ook nu nog.

Begin 1669 kocht de kinderloze weduwnaar Eduard een stuk grond aan de Boekhorststraat in de Haagse binnenstad en liet daarop het Hofje van Hoogelande bouwen, bestemd voor oude armlastige vrouwen. Daar besteedde hij een groot deel van zijn vermogen aan. In 1676 legde hij in zijn testament vast hoe en waaraan de rest van het geld dat hij naliet besteed moest worden. Eventueel teleurgestelde erfgenamen, die zijn laatste wilsbeschikking op grond van seniliteit van de erflater weleens konden aanvechten, wilde hij voor zijn. Daarom liet de weldoener in het document vastleggen dat hij ondanks zijn hoge leeftijd van tachtig jaar nog steeds ‘gesont van lichaem’ en ‘sijn memorie machtig’ was.

Eerlijcke arme persoonen

De vrouwen, die voor bewoning van het hofje in aanmerking kwamen,  waren ‘eerlijcke arme persoonen, ten minste vijftich jaeren, ofte daaromtrent out sijnde’. Deze leeftijd werd toen als ‘bejaard’ aangemerkt. Een andere voorwaarde was dat zij in dienst van de adel waren geweest en van ‘katholieke religie’ waren. Vrij van huur mochten zij hun levensavond in een van de 16 niet al te grote woninkjes slijten. Daarnaast kregen zij voor de verwarming van de huisjes en andere kosten ‘agt tonnen turfs en de omtrent vijftich guldens jaerlijks’.

Als er aan het eind van het jaar geld over was, mochten de vrouwen ‘drye a vier silvere ducatons’ besteden aan de gezamenlijke viering van Driekoningenavond op 6 januari. Dat was tevens de verjaardag van de gulle schenker. Daarmee was de viering van het drietal hoogtijdagen in deze periode van het jaar – Kerstmis, de Jaarwisseling en Driekoningen – voor de oude vrouwen compleet.

Verhuizing

De vooruitziende jonkheer had er ook voor gezorgd dat er jaarlijks wat geld opzij werd gelegd voor de bouw van nieuwe woningen.  De ruimte in de Boekhorststraat was echter te beperkt voor uitbreiding, zodat het stichtingsbestuur in 1907 besloot het hofje te verplaatsen naar de huidige locatie waar men kon beschikken over 36 woningen. Gezien de toenemende behoefte aan modernisering van de woonruimte, werden in 1987 enkele te beperkte huisjes samengevoegd, zodat er 27 overbleven. Inmiddels is dit aantal verder teruggebracht tot 24.

De opeenvolgende besturen zijn er, ondanks de verbeterde armen- en ouderenzorg, in de afgelopen eeuwen in geslaagd de oorspronkelijke criteria voor bewoning zoveel mogelijk te handhaven. De regeling nu is dat slechts alleenstaande vrouwen vanaf 55 jaar met een christelijke achtergrond en een laag inkomen in aanmerking komen. ‘De huidige ontwikkelingen doen vermoeden dat de liefdadigheidshofjes van weleer ook in de komende jaren een nuttige maatschappelijke functie zullen kunnen vervullen’, aldus het huidige bestuur.

Hoe de toekomst er ook gaat uitzien, het Hofje van Hoogelande zal niet gauw verdwijnen. Sinds 1988 geniet dit ontwerp van de architect W.B. van Liefland, leerling van de beroemde architect P.J.P. Cuypers, de bescherming als gemeentelijk monument van Den Haag. In 1993 werd het in neo-renaissance stijl opgetrokken hofje zelfs op de lijst van rijksmonumenten geplaatst.

Voorlopig kunnen de oude vrouwen in het Hofje van Hoogelande vredig blijven wonen onder de beschermende vleugels van de eeuwenoude vredesengel boven de ingang, die destijds vanuit de Boekhorststraat is mee verhuist. De in het Latijn uitgedrukte zegewens op de plaquette van de toegangspoort ‘Pax huis Domui’ (Vrede zij dit huis) ondersteunt dit.

Johannes Camphuijsstraat 67 61 Hofje van Hoogelande ca 1913 Foto M M Couvee Haags Gemeente Archief

 

‘Huis ten Bosch’ symbool van overlevingskracht

Huis ten Bosch (architect Pieter Post ca. 1650), de zijvleugels zijn van D. Marot uit 1751 en uitgevoerd door Anthony Coulon ca 1920 Foto DSO Haags Gemeentearchief

Wegens achterstallig onderhoud moet het Huis ten Bosch voor miljoenen in de revisie voordat koning Willem-Alexander daar met zijn gezin kan gaan wonen. Allerlei bewoners zijn hem voorgegaan, die er de meest uiteenlopende bestemmingen aan hebben gegeven. Meerdere keren was het paleis zo uitgewoond dat alleen een grondige opknapbeurt het van de ondergang kon redden.

Wonende in Den Haag wilde prinses Amalia van Solms (1602-1672) een ‘bescheiden en rustig gelegen’ zomeroptrekje in het Haagse Bos. Ondanks de ‘Acte van Redemptie van ’t Bosch van den Haege’ uit 1576, waarin het bos als natuurgebied voor eeuwig bescherming kreeg, gaf Den Haag in 1645 Amalia toestemming hier een zomerverblijf te bouwen. Huis ten Bosch een illegaal bouwsel? Een uitdagende vraag voor de ‘Rijdende Rechter’.

De prinses bepaalde zelf de bouw en inrichting van haar buitenverblijf, die zij de ‘Sael van Oranje’ noemde. Twee jaar later veranderde zij het in een mausoleum ter nagedachtenis aan haar overleden man prins Frederik Hendrik. Na haar dood  kwam het in handen van stadhouder Willem III, die er met zijn echtgenote zelden verbleef. Zij gebruikten het hoofdzakelijk voor het vieren van grootse feesten.

De nazaten van de Koning van Pruisen, aan wie het paleis in 1702 was verkocht, schonken dertig jaar later het volledig verwaarloosde onderkomen aan stadhouder Prins Willem IV. Na een grijpende verbouwing en uitbreiding met twee vleugels veranderde hij in 1737 de naam ‘Oranjesael’ in ‘Huis ten Bosch’. Later woonde hier ook Stadhouder Willem V.

Toen de Fransen in 1795 Nederland binnenvielen, confisqueerden zij het Huis ten Bosch en maakten er een kunstgalerij van met in Nederland geroofde schilderen en andere kostbaarheden. Een deel van het paleis diende als staatsgevangenis. De noordelijke vleugel werd ingericht als logement, annex bordeel.

Nadat een grondige opknapbeurt werd het paleis in 1805 de ambtswoning van raadpensionaris Rutger-Jan Schimmelpenninck. Het jaar daarop eiste Koning Lodewijk Napoleon het voormalige buitenverblijf van de Oranjes voor zich op.

De rusteloze vorst verhuisde kort daarop naar Amsterdam. Hij stelde het pand ter beschikking van de mensen uit Leiden, die door de verwoestende ontploffing van een kruitschip dakloos waren geworden. Na renovatie van het vrijwel uitgewoonde huis nam de Franse gouverneur-generaal Charles Franbois het als zomerverblijf in gebruik.

Na terugkeer van de Oranjes in 1813 in ons land kreeg Huis ten Bosch een flinke opknapbeurt. Het werd het zomerverblijf van koning Willem I en zijn vrouw Sophie. Na het overlijden van Sophie in 1877 gebruikte koningin Wilhelmina, die het liefst op paleis Het Loo verbleef, het paleis onder meer voor de Eerste Vredesconferentie.

Nadat het Duitse leger in 1940 Nederland onder de voet had gelopen, werd besloten het paleis af te breken voor de aanleg van een antitankgracht. Fel protest van Nederlandse zijde voorkwam dat het met de grond gelijk werd gemaakt. Als de Britse bommenwerpers, die de Duitse raketinstallaties in het bos onklaar wilden maken, zich met de navigatie niet hadden vergist, was het paleis alsnog gesneuveld. Wrang dat de naast gelegen woonwijk Bezuidenhout wel werd geraakt.

In mei 1945 lieten de Duitsers het Huis ten Bosch onbewoonbaar achter. Geen ruit meer heel. Muren, zolderingen en vloeren zwaar beschadigd. De in kelders opgeslagen dure  wijnen en al het kostbare linnengoed, dat het vorstenhuis had moeten achterlaten, waren verdwenen.

Het duurde vier jaar voor het paleis twas hersteld.  Koningin Juliana, die liever op Paleis Soestdijk bleef wonen, gebruikte het alleen voor representatieve doeleinden. Later was opnieuw een ingrijpende verbouwing nodig om het gebouw geschikt te maken als residentie en woonhuis voor haar dochter Beatrix, die in 1980 koningin werd.

Ondanks de wisselende bestemmingen, vreemde overheersers en een dreigende afbraak is Huis ten Bosch in de afgelopen ruim drie-en-een half eeuw van zijn bestaan overeind gebleven. Zelfs het rijk gedecoreerde interieur heeft de vele verbouwingen en opknapbeurten voor een groot gedeelte overleefd. Tal van originele elementen zijn nu nog terug te vinden binnen de muren van het koninklijk onderkomen.

 

Juliana van Stolberg, onverstoorbare strijdster voor het vrije Nederland

Vanaf haar sokkel aan de kop van de Koningin Marialaan kijkt Juliana van Stolberg, stammoeder van het Huis van Oranje-Nassau, elk jaar opnieuw naar de kleurrijke bloemenzee die voor haar voeten ligt uitgespreid ter herdenking aan het bombardement van Bezuidenhout op 3 maart 1945. De ontzag inboezemende beeltenis van de gravin laat een vrouw zien die zich door niemand of niets van de wijs laat brengen. Ze weet zich trouw omringd door haar zonen Willem van Oranje, Johan, Adolf, Hendrik en Lodewijk.

Zowel mentaal als financieel steunde Juliana van Stolberg (1506-1580) haar vijf heldhaftige jongens in de strijd tegen de troepen van de Spaanse veldheer Alva. Na de beeldenstorm van 1566 was deze vertrouweling van Koning Filips II naar de Lage Landen gestuurd om de opstandige republikeinen een lesje te leren. De ‘IJzeren Hertog’, zoals hij hier werd genoemd, moest in 1573 met de staart tussen de benen het land verlaten na een vernederende nederlaag in de slag bij Alkmaar. De Oranjegezinden, die met hart en ziel tegen de Spaanse overheersers hadden gevochten, zegevierden.

Om deze onverstoorbare strijdster voor het vrije Nederland en haar zonen niet in de vergetelheid te laten wegzakken, kregen beeldhouwer Bon Ingen-Housz en architect Dirk Roosenburg begin vorige eeuw opdracht een passend herdenkingsmonument te ontwerpen. Op haar achttiende verjaardag, 30 april 1927, legde prinses Juliana midden op het met bomen omzoomde plantsoen van het Louise de Colignyplein de eerste steen. Drie jaar later onthulde zij het kunstwerk in aanwezigheid van haar moeder Koningin Wilhelmina en Koningin-moeder Emma.

Vrijwel ongeschonden na oorlogsgeweld

Nadat in maart 1945 de verstikkende rook van het alles vernietigende vuur en de dichte stofwolken van de om haar heen ineenstortende huizen waren opgetrokken, stond het standbeeld van Juliana van Stolberg vrijwel onbeschadigd overeind. Juliana van Stolberg, even trots als vóór het donderende geweld van de Britse projectielen, was nog steeds trouw omringd door het voltallige stel van haar vijf mannelijke nakomelingen.

Vanuit haar ongeschonden positie overzag Juliana van Stolberg het slagveld van zevenduizend verwoeste of  beschadigde huizen, gebouwen en kerken en honderden dodelijke en gewonde slachtoffers. Na de daarop volgende vlucht van de overige bewoners uit het brandende stadsdeel bleef het standbeeld eenzaam achter. Tijdens de renovatie van het totaal verwoeste stadsdeel had lange tijd niemand aandacht voor de gravin en haar zonen. Totdat…

Verhuizing

…Den Haag negen jaar later besloot het monument vanwege het inmiddels veranderde stratenplan te verhuizen naar een andere plek in Bezuidenhout. In november 1954 werd het zestig ton zware monument in tien werkdagen naar de huidige plek aan de Koningin Marialaan verrold. Vanaf hier kijkt ze sindsdien uit op het drukke verkeer langs de in 1898 naar haar genoemde laan.

Als de gravin met succes de vrijheidsstrijd tegen de Spaanse overheersing wist te winnen en als geportretteerd herdenkingsteken zelfs aan het alles vernietigende bombardement van de Tweede Wereldoorlog wist te ontkomen, is zij een blijvend standbeeld waard dat nu tevens als symbool van de overlevingskracht van de wijk Bezuidenhout beschouwd mag worden.

Koningin Marialaan, het Juliana van Stolbergmonument , 1966 Foto Jan Stegeman Haags Gemeente Archief

 

Omstreden kerk als blikvanger op kruispunt van wegen

Nauwelijks waren de rookwolken van het Britse bombardement op Bezuidenhout in maart 1945 opgetrokken of er ontbrandde bij de herinrichting van de wijk opnieuw een heftige strijd om de meest begeerde plekjes. Het meest omstreden stukje grond op de hoek van de Juliana van Stolberglaan en de Laan van NOI bleef daardoor lange tijd braak liggen.

Uiteindelijk wees het stadsbestuur het terrein toe aan de Gereformeerde Kerk. Vóór het oorlogsgeweld had daar een voornaam herenhuis gestaan, dat later een herstellingsoord voor vrouwen en meisjes werd. In 1943 werd het pand verbouwd tot een ‘Bazar’ in luxe en huishoudelijke artikelen.

Eind 1958 stemde de kerkenraad in met een ontwerp van architect Drexhage voor een nieuw te bouwen gebedshuis. Dit bracht veel weerstand teweeg bij de kerkgangers en de bewoners in de directe omgeving. Vooral de 42 meter hoge vrijstaande witte klokkentoren ontmoette veel kritiek. Toch kregen de voorstanders, onder de indruk van het speciale lichteffect van de verticale glasspleten tussen de 144 stenen pilasters van het kerkgebouw zelf, de overhand.

De naamgeving werd eveneens onderwerp van felle discussie. Dit noopte de kerkenraad tot het uitschrijven van een prijsvraag. Uit de vele inzendingen kwam de naam ‘Christus Triumfator’ als overwinnaar tevoorschijn. Nadat alle strijd was gestreden werd het monumentale geesteskind van Drexhage op 21 maart 1962 officieel in gebruik genomen.

Juliana van Stolberglaan, Triumfatorkerk (Geref.) van de Juliana van Stolberglaan gezien, richting Laan van Nieuw Oost-Indië 29 sept 1962 Foto Mej A M J de Haan Haags Gemeente Archief

 

Theresiastraat van rustige woonboulevard tot drukke winkelstraat

Om de uit zijn kracht gegroeide binnenstad meer armslag te geven besloot het Haagse stadsbestuur aan het eind van de 19e eeuw ten zuiden van het Haagse Bos een nieuw woongebied aan te leggen. In 1885 werd begonnen met de aanleg van een viertal straten. Om het voorname karakter  van  deze wijk te accentueren kozen de stadsbestuurders voor de vier voornamen van koningin-regentes Emma (1858-1934): Theresia, Adelheid, Emma en Wilhelmina.

De Theresiastraat met huizen van een majesteitelijke architectuur werd de slagader van deze voor welgestelde mensen bedoelde woonwijk. Met in het midden een door bomen omzoomd wandelpad moest de brede laan de ‘grandeur’ uitstralen van een rustig woongebied.

Deze status, die de Theresiastraat in het begin van de 20e eeuw nog had, veranderde na de Eerste Wereldoorlog, volledig. De ene benedenverdieping  na de andere werd tot winkel omgebouwd. De bedrijvigheid van het kopend publiek en de aanvoer van allerlei goederen nam mede door de opkomst van het gemotoriseerde verkeer in rap tempo toe.

Met één donderde klap verdween deze voor velen gezellige drukte als gevolg van  het Britse bombardement aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Na de wederopbouw kwam de  Theresiastraat in een totaal andere gedaante  langzamerhand weer tot leven.

Theresiastraat met links voor de Carpentierstraat, richting de van den Boschstraat ca 1910  Haags Gemeentearchief

 

Pieter Lyonet, ‘grondlegger’ van Bezuidenhout

Het ‘Grafelijk Karrepad’, de oorspronkelijke naam van de Bezuidenhoutseweg, was tot in de 18e eeuw het exclusieve domein van de Graven van Holland en andere adellijke figuren. Zij bewoonden hun langs deze verbindingsweg  liggende hofsteden en buitenverblijven, zoals Huis ten Bosch, Huize Zandvliet en Huis Ter Noot.

Aan deze hegemonie kwam een einde toen de vermaarde rechtsgeleerde Pieter Lyonet in 1764 tegenover de Koekamp  zijn bepaald niet bescheiden huis liet bouwen. Door als eerste ‘burger’  buiten het stadscentrum van Den Haag te gaan wonen, zette hij een stap die kort daarop navolging kreeg.

Meerdere welgestelde Hagenaars lieten langs de Bezuidenhoutseweg fraaie behuizingen neerzetten. Omdat Pieter Lyonet (1706-1789) de aanzet gaf tot de bewoning en latere uitbreiding van dit woongebied, zien geschiedkundigen in hem de ‘grondlegger’, ofwel ‘stamvader‘ van Bezuidenhout.

Na zijn dood kwam het pand op de hoek van de Bezuidenhoutseweg en de Rijnstraat in handen van een projectontwikkelaar. Het werd een hotel met de wel klinkende naam ‘Belle Vue’ vanwege het uitzicht op het Haagse Bos, de hofsteden en het weidse polderlandschap met zijn molens en grazende koeien.

Het hotel sloot zijn deuren in 1934. De Rijksoverheid gebruikte het gebouw als kantoorruimte. In 1974 werd ‘Belle Vue’ gesloopt in verband met de nieuwe inrichting van de verkeerssituatie rond het Centraal Station.

Bezuidenhoutseweg   Het Hotel de Belle Vue    1839 Haags Gemeentearchief

 

Panorama Bezuidenhout was slechts kort leven beschoren

Wist u dat Den Haag al een panoramagebouw had, nog voor het beroemde Panorama Mesdag? Een lang leven was dit gebouw met een geschilderd ronddoek van 120 bij 15 meter niet gegund. Na nog geen zes jaar werd het stijlvolle gebouw gesloopt.

In de 19e eeuw boden panorama’s, rondvormige schilderijen met vergezichten in alle windrichtingen, de toeschouwer een magische illusie van de werkelijkheid. De kolossale doeken gaven de kijker een unieke blik op historische gebeurtenissen of lieten hem genieten van bijzondere landschappen. In vele grote Amerikaanse en Europese steden schoten de speciaal voor deze ronddoeken ontworpen gebouwen als paddenstoelen uit de grond. Ook Nederland ontkwam niet aan deze ‘panoramania’. Amsterdam raakte in 1803 als eerste besmet met dit mediavirus. Rotterdam volgde pas in 1880 verrijkt met een panoramische kijkkast. En weer een jaar later maakte Den Haag kennis met de ‘bioscoop’ van die tijd, een statische versie van het huidige ‘Omniversum’.

Bezuidenhoutseweg Panorama 1881 1887. Het door de Haagse architect H. Westra ontworpen Panoramagebouw, omzoomd door een vijfduizend vierkante meter plantsoen, tegen het decor van het Haagse Bos.

Slag bij de piramiden

Op 31 juli 1881 aan de Bezuidenhoutseweg, op de huidige plek waar later het onderkomen van het Ministerie van Economische Zaken zou komen, opende de Haagsche Panorama-maatschappij het in romantische neo-stijl opgetrokken gebouw. Het enigszins pompeuze object ondervond bij meerdere bewoners van het deftige Bezuidenhout weinig sympathie. De waarde van hun huizen zouden weleens kunnen kelderen door de komst van zo´n ´ordinaire kijkkast.

Bouwmeester was H. Wesstra jr, die ook onder meer Seinpost en de zaal van de Dierentuin ontwierp.   Het panoramagebouw aan de Bezuidenhoutseweg vertoonde dan ook verschillende kenmerken van deze beide panden.

Het eerste en meteen het laatste vertoonde doek was van de Franse panoramaschilder Charles Langlois, ‘Slag bij de piramiden’. Voor de in die tijd forse entréeprijs van 99 cent mochten de bezoekers zich een poosje wanen op het slagveld bij de grafkelders van de Egyptische farao’s, waar op 28 juli 1798 de Franse keizer Napoleon de strijd aanbond tegen de Turken.

Op internet kom je de naam tegen van Emile Wauters, die het ronddoek geschilderd zou hebben. Uit het goed gedocumenteerde boek ‘Het Panorama Fenomeen’ blijkt echter dat de Haagsche Panoramamaatschappij eerst de schilders H. ten Kate en Ch. Rochussen vroeg een ronddoek te maken. Zij hadden daar geen zin in. De daarna aangezochte de panoramagrootmeesters uit Parijs, Phillippoteaux en Détaille, lieten weten er geen tijd voor te hebben. Vanwege de tijdsdruk in verband met de geplande opening zocht de onderneming tenslotte haar toevlucht tot het doek van de toen inmiddels overleden Charles Langlois, dat in een Parijs depot lag opgeslagen.

Weinig lovende kritieken

Zo groots als het voor de ‘eeuwigheid’ gebouwde Bezuidenhoutse Panorama zijn deuren had geopend, zo roemloos ging het bij gebrek aan belangstelling korte tijd later dicht. Was het ‘ooggetuigenverslag’ van de historische gebeurtenis een ‘te ver van het bed’ show? De toegangsprijs te hoog? Lag deze statische ‘bioscoop’ te ver buiten het toenmalige centrum van Den Haag?

Zeker is dat de weinig lovende kritiek van de dagbladen geen positieve bijdrage heeft geleverd aan het succes van de onderneming. De pers beschreef de ‘Slag bij de Pyramiden’ kort maar krachtig: ‘Dit gaat niet hooger dan eene kermisvertoning’.

Hoe het ook zij, Den Haag was gewoon te laat met zijn panoramagebouw. In het begin van de 20e eeuw was het tijdperk van dit soort vermaak al voorbij. Tegen de concurrentie van de opkomende film en de geïllustreerde bladen met hun actuele foto’s viel niet  op te boksen. Deze ontwikkelingen werden uiteindelijk dan ook de nagels aan de doodskist van het Bezuidenhoutse panoramagebouw. Nog geen zes jaar na de feestelijke opening viel het doek voor dit theater, dat in januari 1887 werd afgebroken.

Panorama Mesdag

Het Panorama Mesdag aan de Zeestraat, dat op 1 augustus 1881 – een dag na de opening van het Bezuidenhoutse gebouw – het licht zag, leek eenzelfde lot beschoren. Het bestuur van De Brusselse Société Anonyme de Panorama Maritime de la Haye had al in 1885, minder dan vier jaar na de opening, besloten de vennootschap op te heffen en het gebouw te veilen. Dankzij de rijkdom van het schildersechtpaar Mesdag, dat het door hen geliefde project opkocht, jarenlang financierde en tenslotte aan de Staat schonk, bleef de panoramische afbeelding van het Scheveningse strand voor het nageslacht bewaard.

 

 

Centraal Station, een doorn in het oog van Bezuidenhout

‘De kapitale fout uit 1870’

Het Centraal Station in Den Haag is voor Bezuidenhout een blijvende bron van onvrede vanwege de barrière die het uitgebreid spoorwegemplacement vormt tussen het stadscentrum en de woonwijk. Vooral Bezuidenhout-West is de dupe geworden van de halsstarrigheid van de Nederlandse Spoorwegen en de Rijksoverheid, mede gesteund door het Huis van Oranje. Zij wilden niet wijken voor de uitdrukkelijke en gerechtvaardigde wens van het Haagse stadsbestuur voor een natuurlijke overloop tussen beide stadsdelen.

De Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij had halverwege de 19e eeuw de eerste spoorlijn aangelegd, die liep van Amsterdam naar Rotterdam via Haarlem, Leiden en Den Haag. In de regeringsstad werd het architectonisch fraaie station Hollandsch Spoor gebouwd.

Naast deze noord-zuid-verbinding ontstond de behoefte aan een spoorlijn van Den Haag naar Utrecht met aansluiting naar het achterland. De invloedrijke en machtige Nederlandsche Rhijnspoorweg Maatschappij kwam aan deze langgekoesterde wens tegemoet.

Om de treinpassagiers zo dicht mogelijk bij het Haagse stadscentrum te brengen had de onderneming voor de bouw van een station een plek aan de Bezuidenhoutseweg voor ogen. Een rij prachtige herenhuizen, de zogenoemde ‘Lyonnetse paleisjes’, genoemd naar de stamvader van Bezuidenhout Pieter Lyonnet, werden daarvoor opgeofferd.

Een reeks van protesten en alternatieve voorstellen resoluut van de hand gewezen

Het eind april 1870 geopende Rhijnspoorstation werd door het stadsbestuur van Den Haag gezien als een blokkade tussen het stadscentrum en de nieuw aan te leggen wijk Bezuidenhout. Het station en het spoorwegemplacement belemmerden in ernstige mate de voorgenomen logische stratenaanleg en bebouwing. De spoorwegmaatschappij legde het bezwaar eenvoudig naast zich neer.

Rijnstraat, Staatsspoor station. Het in 1868 door de spoorwegarchitect A.W. van Erkel ontworpen Rhijnspoorstation dat op 24 april 1870 met groot feestelijk vertoon werd geopend.  ca 1870 Haags Gemeentearchief

In 1905 adviseerde de bekende architect H.P. Berlage de regering, die de particuliere spoorwegmaatschappij in 1890 had overgenomen, de spoorlijn richting Utrecht om te leggen naar het Hollandsch Spoor. Het Rhijnspoorstation, inmiddels omgedoopt tot Staatsspoor, zou dan worden afgebroken. Op die plek had Berlage de bouw van een schouwburg voor ogen.

De door de regering gedicteerde spoorwegen wees dit plan resoluut van de hand. Zij werden daarin gesteund door het koningshuis, dat het station Staatsspoor vanwege de gemakkelijke bereikbaarheid van zijn paleizen en het politieke Binnenhof onder geen voorwaarde wilde missen.

Opnieuw deed de gemeente Den Haag in 1923 en 1940 pogingen het station, dat aanvankelijk een verbinding zou krijgen met een spoorlijn naar Scheveningen, te laten verdwijnen. De onderhandelingen liepen telkens op niets uit. De macht van de rijksoverheid, de spoorwegen en het koninklijk hof bleek te groot.

Station uiteindelijk ter ziele, maar vervangen door een architectonisch gedrocht

De invloedrijke architect W.M. Dudok nam na de Tweede Wereldoorlog opnieuw het initiatief het door het bombardement van 1945 zwaar beschadigde Staatsspoor definitief van de kaart te vegen. Hij stelde voor het railverkeer te verplaatsen naar het knooppunt van de elkaar in Voorburg kruisende noord-zuid en oost-west spoorlijnen.

De Nederlandse Spoorwegen antwoordden met een onverzettelijk ‘neen’. Zelfs het in 1958 voorgestelde compromis het station en het spoorwegemplacement ondergronds te laten gaan om zo de aansluiting van het stadscentrum bij Bezuidenhout mogelijk te maken, werd resoluut van de hand gewezen. De Rijksoverheid weigerde hiervoor geld ter beschikking te stellen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het gehavende stationsgebouw, met zijn mahoniehouten zitbanken in de wachtkamers en een koninklijke salon even representatief als het Hollands Spoor, niet meer gerestaureerd. Het ging tegen de vlakte. Ondanks het verzet van Den Haag en de burgerij verrees in 1975 op dezelfde plek een brok kille architectuur zonder enige inspiratie en menselijk gevoel. De definitieve scheiding tussen het oude stadscentrum en Bezuidenhout kon hiermee niet sterker worden benadrukt.

Het ongenoegen over deze situatie is onder de mensen nog steeds merkbaar. Bezuidenhout-West, dat nu als een enclave ingeklemd ligt tussen het uitgebreide spoorwegemplacement en de later aangelegde Utrechtsebaan en de Schenk- en Prins Bernardviaducten, is het meest getroffen door de ‘kapitale vergissing’ uit 1870, zoals de Haagse geschiedschrijver Ron F. de Bock het in zijn boek ‘Bezuidenhout Toen’ verwoordt.

 

 

De vergeten glorie van een schaatstraditie in Bezuidenhout

Weinig mensen zullen nog een levende herinnering hebben aan de oude, destijds jaarlijks terugkerende schaatsevenementen in Bezuidenhout. Aan deze traditionele ijspret kwam halverwege de afgelopen eeuw abrupt een einde door het besluit van het Haagse gemeentebestuur dit stadsdeel uit te breiden met  het nieuwe woongebied Mariahoeve.

Overal waar het ijs in de vorstperioden dik genoeg was, zoals de vijvers in het Haagse Bos, de Molensloot en de Schenk, bonden schaatsliefhebbers in het verleden hun ijzers onder. Sinds haar oprichting op 11 februari 1891 hield de Zuid-Hollandsche IJsvereeniging zich bezig met het beheer en onderhoud van alle provinciale schaatsgelegenheden. Dus ook die in Bezuidenhout.

Gezien de toenemende belangstelling van schaatsliefhebbers in Bezuidenhout besloot een elftal initiatiefnemers op 14 juni 1907 de Vereeniging Haagsche IJsclub op te richten. Deze stelde zich ten doel een eigen, afgesloten en veilige ijsbaan aan te leggen. Met de heer J. Jochums, eigenaar van een grote lap grond, kwam de vereniging overeen het terrein in de vorstperioden onder water te zetten. Dit was gelegen ten noorden van de Molensloot langs de huidige Carel Reinierszkade tussen de Bezuidenhoutseweg en de Schenk.

De weergoden waren de club welgezind. Dezelfde winter vroor het dat het kraakte, zodat het geïnundeerde gebied op 31 december 1907 voor het eerst in gebruik kon worden genomen. Het ijsplezier was er niet alleen voor de schaatsers zelf. Vooral de georganiseerde wedstrijden en de door muziekkorpsen begeleide gekostumeerde ijsfeesten trokken veel bekijks. Zelfs koningin Wilhelmina en prinses Juliana waren regelmatig getuigen van dit winterse volksvermaak. Later genoten ook Juliana’s dochters ervan.

Uitbundig schaatsvermaak

Naast de gewone schaatsbanen waren er speciale trajecten voor hardrijders en ijshockeyers en krabbelbanen voor de kinderen. De uitbundige sfeer op het Bezuidenhoutse ijs werd mede bepaald door de muziek van pierementen en de kleurrijk bevlagde koek-en-zopies, die zorgden voor een warme kop soep of hete chocola. Schaatsenslijpers, politieagenten, eerste hulpverleners boden hun diensten aan waar nodig.

Het door de Haagsche IJsclub georganiseerde winterse vermaak was uniek. Nergens anders had de bevolking zoveel mogelijkheden de schaatssport op allerlei manieren te beleven. Het succes vertaalde zich in de snelle groei van het aantal clubleden. Tien jaar na de oprichting 4.500 leden, die nog eens 7.000 huisgenoten mee de baan op namen.

Mede door de opkomst van moderne schaatsaccommodaties taande na de Tweede Wereldoorlog de roem van de Bezuidenhoutse ijsclub. De genadeklap kwam van de Haagse Gemeente, die in 1953 het grote schaatsterrein opkocht voor de uitbouw van Mariahoeve. In de strenge winter van 1956 bonden liefhebbers hier voor het laatst de schaatsen onder. Hetzelfde jaar streek de Haagsche IJsclub de vlag, die voor het plezier van talloze Bezuidenhouters een halve eeuw had gewapperd.

Niets herinnert meer aan het roemrijke verleden van de schaatsorganisatie. Behalve dan het kleine verbindingsstukje tussen de Schenkkade en de Boekweitkamp, de IJsclubweg.

IJsvermaak op de banen van de Haagse IJsclub.  1  jan 1929 foto gompers Haags Gemeentearchief

 

Lieftallige Mariakerk, ooit ´Het baken van Bezuidenhout´

Gezien vanaf het standbeeld van Juliana van Stolberg aan de kop van de Koningin Marialaan, waar jaarlijks de herdenking van het bombardement van 3 maart 1945 plaatsvindt, staat rechts aan het andere uiteinde van deze avenue de kerk van de Parochie van Onze Lieve Vrouw van Goede Raad. Het robuuste bouwwerk met een los staande stompe toren verving in 1955 de voormalige charmante Mariakerk, die het oorlogsgeweld niet overleefde.

‘Zij treft door soberheid en eenvoud, goede verhoudingen en kalme waardige rust, welke men vooral in een kerkgebouw verlangt’, beschreef de Nieuwe Rotterdamse Courant eind 19e eeuw de toen gloednieuwe katholieke kerk. De bisschop van Haarlem mgr. C.J.M. Bottemane had eind 1895 Jonkheer W.G.M. Wittert van Hoogland opdracht gegeven in het snel groeiende Bezuidenhoutkwartier een nieuwe parochie op te richten. De bouwpastoor, rector van het R.K. Wees- en Oudeliedenhuis in de Warmoezierstraat, ging voortvarend te werk.

Op 10 februari 1896, kocht hij aan de Bezuidenhoutseweg een 4.400 vierkante meter groot perceel. Hetzelfde jaar nog op 8 september legde de deken van Den Haag mgr. J.Th.A. Heyligers de eerste steen van de neo-gothische kerk. De bouw verliep zo voorspoedig dat precies een jaar later het eerste kind in de kerk ten doop kon worden gehouden. Het betrof ‘Een meisje uit de arbeidersklasse’, vermeldt de kerkkroniek. De officiële oprichting van de parochie vond plaats op 18 september 1897.

Het destijds tussen de Paulinastraat en Mariastraat gelegen kerkgebouw was een ontwerp van de vermaarde architect Nicolaas Molenaar sr. Behalve in de Rotterdamse krant kreeg het gebouw veel lovende kritieken, zoals ‘Een eenvoudig kerkgebouw, maar het doet het oog bijzonder aangenaam aan door zijne soberheid en door het waardige karakter van het bedehuis’.

Onherstelbaar beschadigd

Geallieerde bommen, bestemd voor de Duitse raketinstallaties in het nabij gelegen Haagse Bos, kwamen in de namiddag van 21 februari 1945 vlak voor de Mariakerk terecht. In het kerkportaal vonden vier mensen de dood, onder wie de 23-jarige koster Antoon Vringer. De ruiten van de kerk werden zwaar beschadigd. Ook de pastorie werd getroffen door glas- en granaatscherven. Enkele plafonds van het  onderkomen van de pastoor en zijn kapelaans kwamen met donderend geraas naar beneden.

Zaterdag 3 maart was de dag van het grote onheil, dat geheel Bezuidenhout trof. Om zeven uur die ochtend was er in de kerk een uitvaartdienst. De kist met het stoffelijk overschot van de overleden parochiaan was nog niet uit de kerk gedragen, toen om acht uur twee voltreffers op de kerk terechtkwamen. Er waren geen slachtoffers. De overledene trof het lot dat hij onder het puin van de instortende kerk vroegtijdig werd ‘begraven’.

Het kerkgebouw was zodanig beschadigd dat herstel niet meer mogelijk was. Tijdens een grootse plechtigheid, waarbij het ‘Christus overwint’ weerklonk, werd op 17 juni 1954 onder tal van belangstellenden de eerste steen van het nieuwe gebouw gelegd . Bisschop mgr. J.P. Huibers van Haarlem verrichtte op 9 november 1955 de consecratie van de herboren Mariakerk.

Bezuidenhoutseweg, R.K. kerk O.L. Vrouwe van Goede Raad ca 1910 Haags Gemeente Archief

Met haar uitzonderlijk smalle hoge spits en aan alle kanten zichtbare torenklokken gold de voormalige Mariakerk aan de Bezuidenhoutseweg destijds als een baken in de zich snel ontwikkelende woonwijk.

 

Eigenzinnige vorstin zwichtte voor het volk van Bezuidenhout

De overgrootmoeder van Koning Willem Alexander, Koningin Wilhelmina, wilde na de Tweede Wereldoorlog onder geen enkele voorwaarde haar naam geven aan het nieuwe kerkgebouw aan de Juliana van Stolberglaan, dat in de plaats kwam van de oude tijdens het Britse bombardement onherstelbaar beschadigde Wilhelminakerk. De wijkbewoners namen daar geen genoegen mee.

Niets vermoedend fietste de jeugdpredikant ds C.J. Laarman  zaterdagmorgen 3 maart 1945 naar de Wilhelminakerk op het Louise de Colignyplein om enkele boeken op te halen. Daarvóór had hij al andere waardevolle voorwerpen ergens anders veilig opgeborgen. Evenals vele medebewoners van Bezuidenhout had de jonge dominee vanwege de overvliegende Britse vliegtuigen, die de omgeving dagenlang met mitrailleurs bestookten, elders onderdak gevonden. Na het fatale bombardement is van dominee Laarman geen spoor meer teruggevonden.

Bij het opruimen van de fundamenten troffen de werklieden in 1953 een daar ingemetselde fles aan met een briefje waarop stond dat de bouw van de Wilhelminakerk op 9 juli 1906 was aanbesteed en op 2 november van dat jaar de eerste steen was gelegd. In tegenwoordigheid van Koningin-moeder Emma had de Haagse predikant dr. F. van Gheel Gildemeester de naar haar dochter Koningin Wilhelmina genoemde kerk op 3 mei 1908 officieel in gebruik genomen.

Door het zoeken naar een geschikte plek in het grotendeels verwoeste Bezuidenhout en het bijeenbrengen van de benodigde gelden liep de bouw van een nieuwe kerk vertraging op. Over de naamgeving ontstond een hevige strijd tussen de inmiddels in 1948 afgetreden koningin Wilhelmina en de inwoners van de stadswijk. De als eigenzinnig bekend staande vorstin had namelijk vast besloten haar naam nergens meer aan te verbinden.

Zelfs toegestoken hand van de vorstin afgewezen

Om de wijkbewoners, die zich fel verzetten tegen dit besluit, enigszins tegemoet te komen stelde Wilhelmina in overleg met haar dochter Koningin Juliana voor het nieuwe gebouw ‘Willemskerk’ te noemen. Dit leek haar een goed compromis, omdat ze net toestemming had gegeven de Willemskerk aan de Nassaulaan, waar zij als baby in 1880 was gedoopt, te verkopen. Ondanks de vastberadenheid van Wilhelmina en haar dochter, die geen stap verder wilden gaan dan hun eigen ‘vredesvoorstel’, bleef de Bezuidenhoutse bevolking zich verzetten.

De mensen waren door het bombardement al zoveel van hun geliefde wijk kwijtgeraakt dat ze geen zin hadden ook deze kleine herinnering aan het oude Bezuidenhout prijs te geven. Prinses Wilhelmina werd bedolven onder stapels handtekeningen en brieven. Uiteindelijk zwichtte zij voor het argument dat ze haar naam niet aan een geheel ander object gaf, maar aan een herbouwde kerk die haar naam al tientallen jaren had gedragen.

De nieuwe Wilhelminakerk, die op 6 september 1955 in gebruik werd genomen, was geen lang leven beschoren. Per 1 januari 1997 werd de kerkgemeente opgeheven en gingen de Hervormde kerkgangers in het kader van de actie ‘Samen Op Weg’ naar de nabijgelegen Gereformeerde Christus Triumfatorkerk aan de Laan van Nieuw Oost Indië. De Wilhelminakerk werd afgebroken om plaats te maken voor de bouw van luxe appartementen.

Juliana van Stolberglaan 9, de nieuwe Wilhelminakerk 1956 Foto Fotoburo Meyer© Haags Gemeentearchief

 

Prinses Carolina’s geliefde plekje

Ver weg van het Haagse stadsgewoel binnen de singelgracht van Den Haag was het in de 18e eeuw een weldaad te wonen aan de Bezuidenhoutseweg langs het rustgevende Haagse Bos. De rijke handelsfamilie Texeira van Portugees-Joodse afkomst, die bij het Haagse Hof in hoog aanzien stond, liet in die tijd Carolinenburg aanleggen, op de plek langs het bos waar nu de Koningin Marialaan begint.

Het luisterrijke landgoed werd genoemd naar Prinses Carolina, dochter van Stadhouder Willem IV. Met haar echtgenoot, de Duitse edelman Karel Christiaan van Nassau-Weiburg, woonde ze in Den Haag. Regelmatig zocht zij rust en ontspanning op dit voor haar geliefde plekje aan de Bezuidenhoutseweg.

In 1889 viel het doek voor het landgoed, waarvan de grond rijp werd gemaakt voor de bouw van meerdere herenhuizen. Gelukkig bleef een klein stuk van het oude bomen- en plantenrijke Carolinenburg vrij. Hierop verrees de lieflijke Villa Carolinahof, in de volksmond ‘Het Zwitsers Châlet’ van dr. L. R. Beijnen, bekend pedagoog, schrijver en vriend van Nicolaas Beets.

Bezuidenhoutseweg 32, villa Carolinenhof van de heer Beynen ca 1900 Haags Gemeentearchief

Maar ook dit kleine ‘buiten’ was geen lang leven beschoren. In 1917 werd Carolinahof geveild en viel het in handen van bouwlustige projectontwikkelaars. De zes grote herenhuizen, die ervoor in de plaats kwamen, moesten later op hun beurt het veld ruimen voor het huidige Queenhouse met kantoren en daarboven woningen.

Een <a href="http://bezuidenhout.nl">Bezuidenhout</a> site

error: Inhoud is tegen kopiëren beschermd !!

Naar boven