BZH Bombardement 3

Deel 3: het bombardement van 3 maart 1945

Het bombardement

Dit is deel 3 van de geschiedenis van het bombardement op het Bezuidenhout op 3 maart 1945. Voor deel 1 en 2 zie de pagina’s deel1 en deel 2.

Voorgeschiedenis

In deel 2 is beschreven hoe de Duitsers vanuit Den Haag en omgeving V2-raketten op Londen gingen afschieten en hoe de Britse luchtmacht tevergeefs jachtbommenwerpers inzette tegen V2-doelen in en rond Den Haag. De soms intensieve luchtaanvallen konden niet verhinderen dat Londen door steeds meer V2-inslagen werd geteisterd.

De Britse luchtmacht had (kleine) jachtvliegtuigen ingezet om bij de aanvallen op het dichtbevolkte gebied van Den Haag zo min mogelijk slachtoffers onder burgers te maken. Jachtvliegtuigen wierpen hun bommen nauwkeuriger af dan hoog vliegende bommenwerpers. De jachtvliegtuigen hoorden tot het ‘Fighter Command’, het luchtmachtonderdeel dat Groot-Brittannië moest beschermen tegen Duitse bommenwerpers. De commandant van Fighter Command, luchtmaarschalk Roderic Hill, zag dat het aantal V2-inslagen op Londen ondanks maandenlange aanvallen van zijn jachtvliegtuigen niet verminderde. Hij stelde daarom voor dat zwaardere bommenwerpers hem zouden helpen. De enige bommenwerpers die geschikt waren voor een dergelijke aanval waren de middelzware bommenwerpers van de Second Tactical Airforce (Tweede Tactische Luchtmacht). Deze bommenwerpers werden ook gebruikt voor bombardementen die vrij nauwkeurig moesten worden uitgevoerd.

Inzet van de Second Tactical Airforce

Fighter Command was in het begin van 1945 door het “Defence Committee” (onderdeel van de regering) gevraagd om de V2-doelen zwaarder aan te vallen. Maar in februari 1945 deed commandant Hill al het verzoek om de Second Tactical Airforce in te zetten tegen de V2. Voor deze inzet moest de hoogste legerleiding toestemming geven. De Second Tactical Airforce had namelijk als zeer belangrijke taak om het Britse grondleger te helpen tegen het Duitse leger. De bommenwerpers moesten doelen bombarderen die het Duitse leger gebruikte, zoals bruggen, wegen, kazernes en opslagplaatsen. Het verslaan van het Duitse grondleger was belangrijker dan de bestrijding van de V2. De Second Tactical Airforce kreeg toestemming om V2-doelen aan te vallen, maar alleen op het moment dat er ruimte was in het bombardementsschema. Gewoonlijk voerden de bommenwerpers twee keer per dag een aanval uit in opdracht van het leger. Als het leger voor een dagdeel geen wensen had, kon een V2-doel worden aangevallen.

Vertegenwoordigers van Fighter Command kwamen op 23 februari naar Brussel om op het hoofdkwartier van de Tactische Luchtmacht te bespreken hoe ze zouden samenwerken bij de grote aanval op een V2-doel. Men besprak mogelijke doelen en de keuze van het meest geschikte type bommenwerper. De snelle Mosquito-bommenwerper van de Second Tactical Airforce leek geschikt omdat je daarmee tamelijk nauwkeurig kon bombarderen. Maar dit vliegtuig viel af omdat het kwetsbaar was voor luchtafweergeschut. In de buurt van Den Haag werden vliegtuigen volgens de piloten namelijk zwaar beschoten door luchtafweergeschut. De keus viel toen op andere vliegtuigen waar de Second Tactical mee vloog. Dat waren de grotere en langzamere bommenwerpers als de B-25 Mitchell en de A-20 Boston. Deze bommenwerpers waren zwaarder en vlogen langzamer. Omdat ze door hun lagere snelheid makkelijker konden worden geraakt door luchtafweergeschut, vlogen ze veel hoger dan de jachtvliegtuigen van Fighter Command. Dat betekende dat ze hun bommen van grote hoogte loslieten en dat die zich verspreidden over een groter gebied. Over deze problemen werd op 23 februari gesproken en de gemaakte afspraken werden door een vertegenwoordiger van Fighter Command op papier gezet. Op 2 maart bevestigde iemand van de Tactical Airforce deze afspraken nog eens1. De belangrijkste waren:

1. De Second Tactical Airforce zou haar ‘Second Group’ (Tweede Groep) beschikbaar stellen. Dit onderdeel vloog met de bewuste B-25 en A-20-bommenwerpers.

2. Het hoofdkwartier van Fighter Command in Londen zou elke week een lijst met doelen opsturen naar het hoofdkwartier van de Tactical Airforce in Brussel. Daar koos men een doel dat geschikt was voor middelzware bommenwerpers. Op 17 en 21 februari had men al de eerste lijsten (‘Target List’) ontvangen. Op 1 maart volgde de derde lijst.

3. Fighter Command zou alle relevante informatie met luchtfoto’s naar Brussel sturen.

4. Als de Second Tactical Airforce een aanval zou uitvoeren, zouden hun bommenwerpers boven Den Haag voorrang krijgen boven de vliegtuigen van Fighter Command2.

Op dezelfde vergadering lieten vertegenwoordigers van Fighter Command een luchtfoto zien waarop duidelijk te zien was waar de V2-doelen lagen en waar burgers woonden. De officieren van Fighter Command benadrukten later, dat ze “tot in het detail” hadden uitgelegd waar burgers woonden. Ook hadden ze er nog eens op gewezen dat middelzware bommenwerpers een groter gevaar voor burgers opleverden dan jachtvliegtuigen. De aanwezigen waren het er over eens dat het Haagse Bos het enige geschikte doel was voor middelzware bommenwerpers. De richtpunten voor bommen moesten op zijn minst 500 yards (457 meter) van Nederlandse bezittingen af liggen: “This consideration, it was concluded by the Meeting, practically ruled out any Target but the HAAGSCHE BOS for medium attack at that time”. Men ging er vanuit dat bommen bij een aanval met deze bommenwerpers niet verder dan 457 meter naast het doel zouden vallen. Om zeker te zijn dat het Bezuidenhout niet werd geraakt moesten de richtpunten dus op minstens 457 meter van deze wijk liggen. Alleen de noordkant van het Haagse Bos lag op voldoende afstand, dus daar moesten de richtpunten komen. Men verzuimde om de Nederlandse regering op de hoogte te brengen van een aanval met ongebruikelijk zware bommenwerpers boven het dicht bevolkte westen van ons land. Er was een afspraak dat men dit zou doen3.

Simpson schrijft dat hij het verwonderlijk vindt dat de Second Tactical Airforce veel zeggenschap kreeg over de uitvoering van dit bombardement. De verantwoordelijkheid voor de strijd tegen de V2 bleef immers bij Fighter Command liggen4.

Opdracht

Vrijdag 2 maart 1945, aan het begin van de avond (18.50 uur), ontving het hoofdkwartier van Second Group in Brussel de opdracht om een doel in het Haagse Bos te bombarderen. De opdracht vermeldde twee richtpunten in het bos. De opdracht was niet anders dan die bij andere aanvallen die men dagelijks of tweemaal op een dag uitvoerde.

De vliegtuigen van Second Group waren gestationeerd op vliegbases in Noord-Frankrijk en België. De bommenwerpers waren daar gestationeerd omdat ze niet zo ver hoefden te vliegen naar hun aanvalsdoelen langs het front in Duitsland en Nederland. Op elke basis lag één ‘wing’ (eskader). Elke wing bestond uit meerdere squadrons. De 137ste wing was gestationeerd bij Vitry-en-Artois en de 139ste Wing lag op het militaire vliegveld Melsbroek bij Brussel. De bommenwerpers waren van de types Mitchell en Boston. Het waren ‘middelzware’ bommenwerpers die twee motoren hadden en gewoonlijk vier bemanningsleden. De Mitchells waar men mee vloog waren van een moderner type dan de Bostons. Het Nederlandse 320ste squadron dat meedeed met de aanval vloog met Mitchells.

De bommenwerpers zouden door jachtvliegtuigen van een andere ‘wing’ van Second Group worden beschermd tegen eventuele Duitse jachtvliegtuigen. Om 19.15 uur werd de opdracht doorgezonden naar de vliegvelden waar de wings waren gestationeerd.

Er waren twee richtpunten in het bos aangewezen op de Leidsestraatweg, ten westen en ten oosten van de kruising met de Laan van Nieuw Oost-Indië. De vliegtuigen moesten het Haagse Bos in de lengterichting passeren en omdat de bommen zich na het afwerpen verspreidden, zouden deze een groot deel van het Haagse Bos bestrijken en niet afzwaaien naar het Benoordenhout of Bezuidenhout. Eén groep bommenwerpers zou de bommen afwerpen op het westelijke richtpunt en een andere groep zou dat doen op het oostelijke richtpunt.

Luchtfoto’s van 25 februari

De aanval ging door, ondanks dat op het laatste moment bij Fighter Command bericht binnenkwam dat op de meest recente luchtfoto van het Haagse Bos geen V2’s waren te zien. Een officier van een afdeling van de Inlichtingendienst meende dat de aanval niet meer nodig was, maar bij Fighter Command dacht men daar anders over. Men hield vast aan het Haagse Bos als belangrijkste V2-doel. Men ging er vermoedelijk vanuit dat het eenmalig was dat er op een dag geen V2 in het bos lagen. Het bos was al maandenlang in gebruik voor opslag van V2’s. En het was ook zinvol om het bos voor langere tijd onbruikbaar maken voor de opslag van V2’s. Nu was daar de gelegenheid voor.

Luchtfoto RAF Bezuidenhout.
Luchtfoto Britse luchtmacht met ingetekend de goede richtpunten in het Haagse Bos en het foute richtpunt in het Bezuidenhout. In de bovenrand en de linkerrand van de foto’s staan de coördinaten. Een inlichtingenofficier verwisselde de coördinaten van de richtpunten. In rood heb ik in de marge van de foto de juiste coördinaten aangegeven en in blauw de foute coördinaten. Het linker kruis was het westelijke richtpunt, het rechter kruis het oostelijke richtpunt. Het kruis onderin is het foute richtpunt(Originele foto National Archives, uit dossier AIR20/795)

Aanvalsplan

Het bombardement zou door meerdere groepen bommenwerpers worden uitgevoerd. De vliegtuigen zouden van west naar oost over Den Haag vliegen op een hoogte van 10.000 tot 14.000 voet (3048 tot 4267 meter). Ze zouden bommen met een gewicht van 500 Engelse pond laten vallen. Spitfire-jachtvliegtuigen van de 83ste Group zouden de bommenwerpers escorteren.

Voor de bemanningsleden van de bommenwerpers was het een alledaagse aanval. Ze bombardeerden elke dag een ander doel en kwamen vaak zowel ’s ochtends als ’s middags in actie. Vliegtuigen van het 98ste, 180ste en het 320ste squadron hadden op 1 maart Kevelaer gebombardeerd. Op 2 maart vielen deze squadrons het Duitse Geldern aan.

De bommenwerpers zouden op 3 maart vliegen in de gebruikelijke ‘box’-formatie van zes vliegtuigen. Deze formatie gaf de beste bescherming tegen Duitse jachtvliegtuigen. Om 9.00 uur zouden 30 Mitchells van de 139ste wing het westelijke richtpunt (op de kaart A) bombarderen. De andere groepen bommenwerpers zouden het oostelijke richtpunt (B) bombarderen. Om 9.05 uur zou een eerste groep van zes Mitchells en zes Bostons van de 137ste Wing dat doen. Vijf minuten daarna zou een tweede groep van zes Mitchells en zes Bostons het oostelijk richtpunt aanvallen. Vijf minuten later zouden zes Mitchells van de 139ste wing volgen. De groepen zouden dezelfde route naar Den Haag vliegen. In totaal zette men 61 middelzware bommenwerpers in. De piloten mochten ook bombarderen als het doel onder bewolking lag en niet zichtbaar was. Dan moest de bemanning het systeem Gee-H gebruiken.

Bombarderen bij slecht zicht

Bij goed weer kon de bommenrichter het doel zien door een bommenrichtkijker. Als de bemanning bij slecht weer met bewolking het doel niet zag liggen kon er toch worden gebombardeerd, want enkele bommenwerpers waren uitgerust met een apparaat dat Gee-H (of G-H) werd genoemd. Dat toestel zond een signaal uit dat door twee bakens in Engeland of in bevrijd gebied in België werd teruggezonden. De snelheid waarmee het signaal terugkwam bij het vliegtuig gaf aan hoe ver het vliegtuig van het baken verwijderd was. De Gee-H-computer gaf vervolgens op een klein schermpje ook aan of het vliegtuig op koers vloog of daarvan afweek. Tenslotte gaf het systeem aan op welk moment de bommen moesten worden afgeworpen.

In de Gee-H-computer moesten daarvoor de juiste gegevens worden ingevuld. Voor het bepalen van het juiste afwerppunt waren de windrichting en de windsnelheid belangrijk. De wind dreef de bommen na het afwerpen immers uit de koers. Het Gee-H-toestel werd bediend door een speciaal opgeleide Gee-H-operator. De Britse luchtmacht was tijdens de oorlog tevreden over de nauwkeurigheid van het systeem. Later bleek uit onderzoeken dat die nauwkeurigheid tegenviel. Met de visuele bommenrichtkijker wierp men bommen nauwkeuriger af en de ene bommenrichtkijker deed dat beter dan de andere.

In januari 1945 kwam een verbeterde versie van Gee-H in gebruik. Omdat het goed afwerpen van bommen mede afhankelijk was van de windrichting en de windsterkte stuurde men altijd een bommenwerper vooruit die in de buurt van het doel de windgegevens mat. Het vloog daarvoor een driehoekskoers en op elk been van de driehoek mat men hoever de wind het vliegtuig uit zijn koers duwde. Na de laatste meting berekende men de windrichting en snelheid en deze gegevens stuurde men een kwartier voor de aanval naar de bommenwerpers die op het doel afvlogen. Op 3 maart vloog er geen vliegtuig vooruit naar Den Haag. Rond Den Haag stond zoveel luchtafweergeschut dat men dat niet wilde alarmeren door een enkele bommenwerper vooruit te laten vliegen. Men besloot dat op 3 maart een bommenwerper de wind in de buurt van Tilburg zou meten. Men besefte blijkbaar niet dat de wind aan de kust veel sterker kon zijn.

De bommenwerpers moesten de gegevens over de wind tijdig ontvangen, want ze werden hierna ingevoerd in de bommenrichtapparatuur. In een groep van zes of meer vliegtuigen was het de bommenrichter of Gee-H-operator van het voorste vliegtuig die de instructies gaf voor het afwerpen van de hele groep.

Mitchell-bommenwerpers van het 98ste squadron.
Mitchell-bommenwerpers van het 98ste squadron, niet boven Den Haag.(Bron: Imperial War Museum)

Twijfels

Second Group bombardeerde niet dagelijks een stad in bevriend gebied en commandant Basil Embry betwijfelde of het verstandig was dat zijn eenheid zonodig “blind” mocht bombarderen. Hij vond dat de twee richtpunten te dicht bij het Bezuidenhout lagen voor een aanval met Gee-H. Hij belde met de ‘operations officer’ van de Tactical Airforce in Brussel en legde daar de vraag voor of een aanval met Gee-H verstandig was: “I personally queried the advisability of Radar bombing”. Hij zei dat hij de aanval niet zou uitvoeren, tenzij werd bevestigd dat huizen binnen 500 yard (457 meter) van de rand van het doelgebied niet waren bewoond. Met 500 yard van de rand van het doelgebied bedoelde hij een afstand van 1000 yard (914 meter) van de richtpunten. De gebruikelijke diameter van het doelgebied (bij goed zicht) was 500 yard. Hij vroeg ook of het Luchtvaartministerie toestemming had gegeven voor deze zware aanval: “Asked Duty G/C HQFC if he could see: 1. if general clearance received to attack by A.M.; 2. if houses within 500 yds of general area occupied by Dutch” (A.M. was Air Ministry). De veiligheidszone die Embry aanhield (1.000 yard) liep tot halverwege het Bezuidenhout.

500 en 1000 yard vanaf de richtpunten
Haagse Bos met de twee richtpunten (rood) en het “normale” doelgebied van 500 yard om het richtpunt (rode cirkel) en de extra zone van 500 yard om dat doelgebied (blauwe cirkel), waarvan commandant Embry wilde dat die onbewoond zou zijn voordat hij toestemming gaf het bombardement uit te voeren.

Tactical Airforce vraagt het aan Fighter Command

De ‘operations officer’ van de Tactical Airforce wist het antwoord niet en belde naar het hoofdkwartier van Fighter Command in Londen. Daar kwam immers alle informatie over de V2-doelen bij Den Haag vandaan.

Op het hoofdkwartier van Fighter Command

De dienstdoende officier (‘Duty Group Captain’) van Fighter Command beloofde terug te bellen, zodra hij het antwoord had. Hij raadpleegde een inlichtingenofficier van zijn eigen ‘command’ die hem vertelde dat er binnen 500 yard (457 meter) van het richtpunt geen Nederlanders woonden. Maar of er middelzware bommenwerpers ingezet mochten worden wist hij niet (“On receipt of the message Duty Group Captain spoke to the Deputy Intelligence Officer, Fighter Command, who stated that the target was clear of Dutch within 500 yards of the target pinpoint but he did not know whether it was cleared for medium bombers. He advised asking Air Ministry, D. of Ops (A.D)”. Embry’s misschien wat ongelukkig geformuleerde vraag of er mensen woonden in een gebied van 500 yard om het doelgebied was dus nu al verkeerd geïnterpreteerd als de vraag of er mensen woonden binnen 500 yard van het richtpunt.

De dienstdoende officier legde deze vraag om 22.30 uur voor aan zijn collega van het Ministerie van Luchtvaart (Air Ministry). Die zou het uitzoeken. Vreemd genoeg was de vraag nu weer wel correct geformuleerd: woonden er mensen binnen 500 yard van het doelgebied: “He knew it was 500 yds, and was … safe for fighter bombers, but 2 TAF wished to put medium bombers on the target.”

Op het Air Ministry

Maar de ontvangende officier (‘Duty Wing Commander’) op het Air Ministry noteerde de vraag weer verkeerd. In zijn logboek tekende hij aan dat Fighter Command door de Second Tactical Airforce was gevraagd of het doel in het Haagse Bos tot op 500 yard van het richtpunt vrij was van Nederlanders. En of dit doel aangevallen mocht worden met middelzware bommenwerpers: “Operations Officer of 2nd TAF Main rang up and asked whether the ‘CROSSBOW’ target at HAAGSCHE-BOSCHE was cleared of Dutch within an area of 500 yards of the target pinpoint. Also, was the target cleared for medium bombers to attack? Information required as they wished to attack the following morning. Replied did not know but would try to get the information asked for.”

De Duty Wing Commander kon geen contact krijgen met een officier van het Directoraat Inlichtingen (“Directorate of Intelligence”). Twee andere officieren kwamen niet verder dan een vaag antwoord: over deze kwestie was niets bekend, maar de vliegtuigen van de Tactical Airforce moesten zich aan dezelfde regels houden als Fighter Command: “no particular ‘clearance’ was known but 2nd TAF must be guided by the same rules as apply to Fighter Command in this respect”. Dit antwoord was onjuist, omdat voor zwaardere bommenwerpers juist wel andere regels golden. Zij konden niet zo nauwkeurig bombarderen als de jachtvliegtuigen van Fighter Command. De afstand die Fighter Command tot woonhuizen aanhield, gold dus niet voor de zwaardere bommenwerpers van de Tactische Luchtmacht.

Van Air Ministry naar Fighter Command

De dienstdoende officier van het Air Ministry gaf de boodschap “in deze trant” door aan Fighter Command (“Informed Duty Group Captain Fighter Command on these lines”). Volgens een ander rapport werd het antwoord iets anders geformuleerd. De officier zou hebben gezegd dat het “in orde” was dat middelzware bommenwerpers het doel aanvielen en dat het gebied dat door de Second Tactical Airforce was aangegeven, vrij was van Nederlanders (“said that the Branch he had consulted were of the opinion that it should be all right for medium bombers as the area around the target was clear of Dutch civilians to the distance specified by 2nd TAF”). Of daarmee het gebied van 500 yard van het richtpunt of het gebied van 500 yard van het doelgebied werd bedoeld, is niet duidelijk.

Van Fighter Command naar Tactical Airforce

Dit antwoord kwam om 23.10 uur als volgt binnen op het hoofdkwartier van de Tactical Airforce: het Air Ministry had “algemene toestemming” gegeven voor een aanval op het Haagse doel. Huizen binnen 500 yard van het doelgebied waren ontruimd door bewoners: “General clearance has been given by A.M. for this target to be attacked. Houses within 500 yds of the whole target area have been cleared of inhabitants”. Bij het terugbellen van het antwoord werden richtpunt en doelgebied dus opnieuw verwisseld. 500 yard om het richtpunt werd veranderd in 500 yard om het doelgebied.

Van Tactical Airforce naar Second Group

Het antwoord ging vervolgens in nog ruimere bewoordingen naar het hoofdkwartier van Second Group: het doelgebied Den Haag was vrij van Nederlanders: “Hague target area is clear of Dutch people”. Commandant Embry kreeg precies het antwoord op zijn oorspronkelijke vraag. Hij kon dus niet vermoeden dat het antwoord op zijn vraag was verdraaid en dat slechts de helft van de door hem gewenste zone om het richtpunt (500 yard in plaats van 1.000 yard) vrij was van Nederlanders. Hij was gerustgesteld en liet de aanval voorbereiden. Overigens woonden er ook in de zone van 500 yard nog Nederlanders, want ook de wijk het Benoordenhout viel binnen dit gebied. De bewoners van deze wijk waren geëvacueerd, maar er woonden nog steeds Nederlanders die toestemming hadden gekregen om in het vestinggebied te mogen blijven wonen.

Mitchell-bommenwerpers op Melsbroek.
Mitchell-bommenwerpers van het 180ste squadron op vliegbasis Melsbroek (Bron: Imperial War Museum)

De richtpunten

De opdracht voor de aanval kwam in de nacht van vrijdag 2 op zaterdag 3 maart binnen op de vliegbases Melsbroek en Vitry-en-Artois. Daar bereidden inlichtingenofficieren de aanval voor. Zij verzamelden de gegevens die de bemanningen van de bommenwerpers nodig hadden. Ze tekenden de doelen in op kaartjes en luchtfoto’s. Die werden als richtpunten ingetekend en stonden in de aanvalsorder als een reeks cijfers en letters. Het oostelijk richtpunt was “Illustration XI/G/500/13 H.042 V.064”. XI/G/500 was het kenmerk van het doel, 13 was de juiste luchtfoto en H 042 en V 064 waren de coördinaten van het richtpunt op de foto. De opdracht werd waarschijnlijk telefonisch doorgegeven. De inlichtingenofficieren (“duty officers”) hadden de luchtfoto’s al in hun bezit. Ze moesten de juiste luchtfoto opzoeken en daarop het richtpunt intekenen. De coördinaten stonden in de rand van de luchtfoto’s als zwart-witte balkjes (zie foto). H 042 betekende het 42ste balkje in de linkerrand en V 064 was het 64ste balkje in de bovenrand.

De meeste vliegtuigen van de 139ste wing zouden het westelijke richtpunt aanvallen (A op de foto). Vliegtuigen van de 137ste wing en enkele vliegtuigen van de 139ste wing zouden het oostelijke richtpunt aanvallen (B op de foto). De inlichtingenofficier (“duty intelligence officier”) van de 137ste wing was afwezig en werd vervangen door een andere officier. Die maakte een fout, want hij tekende het richtpunt verkeerd in. Hij verwisselde de horizontale en verticale coördinaten waardoor hij het doel niet intekende in het Haagse Bos, maar in het Bezuidenhout. Het richtpunt stond precies op de rechter huizenrij van het Louise de Colignyplein aan de Amalia van Solmsstraat. Het plein is helemaal verwoest en werd na de oorlog niet meer herbouwd. De Amalia van Solmsstraat ligt nog op ongeveer dezelfde plek.

Briefing

De vliegtuigbemanningen werden die nacht op een ongebruikelijk vroeg uur gewekt. De 139ste wing was op de Belgische luchtmachtbasis Melsbroek (Brussel) gestationeerd en de 137ste wing op het Noord-Franse Vitry-en-Artois. De bemanningsleden kregen informatie over de komende opdracht. Ze kregen informatie over het doel, de route, details over de radio, bakens, het weer en de aanwezigheid van Duits luchtafweergeschut. Ook konden ze luchtfoto’s bekijken.

Verschillende Nederlandse bemanningsleden van deze squadrons schrokken toen ze zagen dat het doel Den Haag was. Zeker mensen die Den Haag kenden waren bang dat de aanval op het Haagse Bos ook burgers zou treffen. Eén van de deelnemende squadrons was zelfs geheel Nederlands. Dit 320ste squadron hoorde tot de 139ste wing die vanaf Melsbroek vloog. De commandant en enkele bemanningsleden van het squadron vroegen ontheffing van deze opdracht en hun verzoek werd ingewilligd. De in het Bezuidenhout opgegroeide Nederlandse piloot Sjerp vloog vanaf Vitry-en-Artois bij het Britse 226ste squadron. Hij besloot wel mee te vliegen toen hem werd verteld dat de wijk door de bewoners was ontruimd.

Op weg naar Den Haag

Na de ‘briefing’ werden de bemanningen naar hun vliegtuigen gereden. Deze werden gereed gemaakt voor vertrek. Tussen half acht en acht uur stegen de twee wings op. De vliegtuigen vlogen naar een ontmoetingspunt boven de Noordzee, ergens bij Walcheren. Vandaar vlogen de vliegtuigen in vier groepen over het water naar het noorden. De piloten vlogen een zigzagkoers om niet te verraden dat Den Haag hun doel was. In de buurt van Den Haag draaiden ze hun vliegtuigen naar de kust en gingen in vrijwel oostelijke richting verder. Op een tijdens het bombardement gemaakt filmpje kun je zien dat de Nederlandse vliegtuigen een stuk over het Westland vlogen. Een bemanningslid vertelde later dat de bommenwerpers over de uitgebrande pier vlogen. Het lijkt erop dat verschillende groepen bommenwerpers een andere route naar het Haagse Bos vlogen.

De wind

De meeste actuele informatie over de wind kwam deze keer dus niet van een bommenwerper die vlak voor de hoofdmacht uitvloog, maar van een vliegtuig dat zo ver weg als Tilburg de wind mat. Toen de bemanningen om kwart voor negen de windgegevens uit Tilburg binnen kregen, begrepen ze meteen dat de wind waar zij vlogen, boven de Noordzee, veel sterker was. De windkracht bij Tilburg is niet bekend, maar het KNMI mat die dag in De Bilt op de grond windkracht vijf. De windkracht boven Den Haag is evenmin bekend, maar de Britse luchtmacht kon de windrichting en de windkracht naderhand reconstrueren. Die gegevens konden ze waarschijnlijk herleiden uit de plek waar de door de wind afgedreven bommen neerkwamen. Uit de reconstructie bleek dat de windkracht op afwerphoogte 50 mijl per uur moet zijn geweest. Dat was 80 km/u, dus windkracht negen oftewel stormkracht. Ook een ooggetuige op de grond meldde enkele dagen later in Brussel dat er een stevige noordwesten wind was. Met nog enkele minuten te vliegen konden de bemanningsleden niet zelf een nauwkeurige meting doen. Ze besloten de wind te schatten en deze gegevens in te voeren in de bommenrichtapparatuur. De Nederlandse piloot Sjerp vertelde later dat hij slechts hoopte dat hij de bommen goed op het richtpunt zou krijgen.

Het bombardement van 3 maart

Van het bombardement is in hoofdlijnen bekend hoe dit is uitgevoerd. De gegevens komen uit het onderzoeksrapport dat de Britse luchtmacht na het bombardement opstelde en uit de verslagen die de verschillende luchtmachteenheden routinematig opstelden. Hieronder zijn deze gegevens per eskader (‘wing’) vermeld.

Aanval van de 139ste Wing

De 139ste Wing bereikte Den Haag als eerste. De bommenwerpers vlogen op een hoogte van drie à vier kilometer (12.000-14.000 voet) vrijwel in oostelijke richting. Volgens een bemanningslid vlogen ze over de uitgebrande pier, de betonnen versterkingen aan de kust en het ontruimde kustgebied. Op een film die tijdens het bombardement is gemaakt, kun je zien dat de vliegtuigen over het Westland naar Den Haag vlogen. Dat is ook de meest logische aanvliegroute naar het Haagse Bos. Elf bommenwerpers van het (Nederlandse) 320ste squadron vlogen voorop.

Bij aankomst van de eerste bommenwerpers was Den Haag bedekt onder een vrij dicht wolkendek (8/10 bewolking), zodat de bemanningen van de Nederlandse vliegtuigen het Haagse Bos niet konden zien. De wingcommandant gaf daarom opdracht om de bommen met Gee-H af te werpen. De windsterkte en windrichting waren kort daarvoor geschat en de gegevens waren daarna ingevoerd in de elektronische richtapparatuur. Volgens een later gepubliceerd rapport was de richting van de wind 350 graden en was de windsnelheid 50 mijl per uur. Even voor negen uur vielen de bommen van het 320ste squadron naar beneden. Ze waren gericht op het westelijk richtpunt (A). Het verslag van het 320ste squadron meldde dat men bombardeerde “on instruments” en dat niet was te zien waar de bommen vielen: “no results observed”. Later verklaarde een piloot dat hij de bommen zag neerkomen in het Bezuidenhout. Vermoedelijk vielen de bommen van deze vliegtuigen niet verder dan de Bezuidenhoutseweg, dus niet ver de wijk in. Ook bommen van enkele andere squadrons kwamen neer op de Bezuidenhoutseweg.

Vlak na het 320ste squadron wierpen tien van de dertien vliegtuigen van het 98ste squadron hun bommen op het westelijke richtpunt. Ze vlogen in drie groepen (‘boxen’). Volgens het rapport kwamen de bommen zeer verspreid terecht. Een aantal bommen viel op het Korte Voorhout, maar ook de meeste andere bommen vielen ver van het richtpunt. Net als bij het Nederlandse squadron vielen ze tot zover als de Bezuidenhoutseweg. Volgens gegevens van het squadron zelf kwamen de bommen ongeveer 500 yard (457 meter) achter het richtpunt neer en ontploften er een paar op het richtpunt.

Schematische tekening van het bombardement op het Bezuidenhout.

Schematische tekening van het verloop van het bombardement, zoals uitgevoerd door de 139ste Wing. Cirkels in rood zijn plekken van (bekende) bominslagen. Vanwege de onzekerheid over de details zijn alleen de vliegrichting (de koers) van de verschillende formaties weergegeven. Waar ze precies vlogen is niet bekend. De windkracht was volgens gegevens van de Britse luchtmacht 50 mijl per uur.

Na de eerste twee squadrons arriveerde de eerste ‘box’ van zes vliegtuigen van het 180ste squadron boven Den Haag. Vijf vliegtuigen wierpen hun bommen af. Wanneer zij dit deden is niet bekend, want zes vliegtuigen van dit squadron kwamen een half uur later op hun basis terug dan de andere vliegtuigen van hetzelfde squadron. Mogelijk konden ze het doel niet vinden en maakten ze een draai om een tweede poging te doen. Toen zij bombardeerden was de bewolking zo afgenomen dat ze geen Gee-H hoefden te gebruiken. Ze bombardeerden ‘op zicht’, maar ook de bemanningsleden van deze eenheid zagen hun bommen zeer verspreid neerkomen. Ze zagen inslagen in de stad ten westen van het richtpunt, op het richtpunt en op zo’n 500 yard na het richtpunt. De bommen vielen dus blijkbaar op het Korte Voorhout, het Haagse Bos en op de Bezuidenhoutseweg. Op een later gemaakte reconstructie van de Britse luchtmacht staan andere locaties van deze bominslagen vermeld. Blijkbaar trokken de officieren die de oorzaken van het bombardement onderzochten andere conclusies uit de beschikbare gegevens.

De tweede box van het 180ste squadron squadron moest het oostelijke richtpunt aanvallen. Rond 9.16 uur vielen hun bommen niet op het doel, maar op ongeveer 500 yard ten zuidoosten daarvan. De bommen vielen net over de rand van het Bezuidenhout, vermoedelijk ter hoogte van de Spaarwaterlaan en de De Moucheronstraat. Dat was precies ten zuiden van het richtpunt.

Form 540 van het 180ste squadron
Detail van het Form 540 van het 180ste squadron met informatie over de aanval van 3 maart (National Archives Londen, foto van microfilm)

Aanval van de 137ste Wing

Even na negen uur arriveerden de eerste bommenwerpers van de 137ste wing boven hun doel. De vliegtuigen van het Britse 226ste squadron en van het Franse 342ste squadron hadden hun bommen moeten afwerpen op het oostelijke richtpunt (B) in het Haagse Bos. Doordat een inlichtingenofficier dit richtpunt foutief had ingetekend wierpen zij hun bommen niet op het Haagse Bos, maar op de oostelijke huizenrij van het Charlotte de Bourbonplein (F op de luchtfoto). De bemanningsleden wisten dat ze een woonwijk bombardeerden, maar ze hadden gehoord dat de bewoners waren geëvacueerd.

Het Britse 226ste squadron vloog net als de andere squadrons met B-25 Mitchellbommenwerpers. Het Franse 342ste squadron vloog met verouderde Boston-bommenwerpers. Deze vliegtuigen hadden geen ruimte in de neus voor Gee-H-apparatuur. Omdat zij misschien ook door bewolking moesten bombarderen vlogen ze achter de vliegtuigen van het 226ste squadron aan. Die waren immers wel met Gee-H uitgerust. De bommenwerpers vlogen dus in twee groepen van twaalf, met zes Britse Mitchells voorop en zes Franse Bostons daarachter. De voorste Mitchell gaf aan wanneer de hele groep de bommen kon laten vallen.

De bemanningen van de eerste box van het 226ste squadron konden het doel (F) niet identificeren en de piloten zetten een draai in om daarna een tweede poging te doen. De Bostons van het Franse 342ste squadron volgden. Enkele minuten nadat deze groep haar draai was begonnen, arriveerde de tweede formatie van het 226ste / 342ste squadron boven het doel. De bewolking was blijkbaar snel opgetrokken, want de bemanningsleden van deze groep zagen het richtpunt (F) wel liggen. Zij bombardeerden het doel om 9.08 uur ‘op zicht’, dus zonder Gee-H.

Tekening van bombardement op het Bezuidenhout.

Schematische tekening van het verloop van het bombardement, zoals uitgevoerd door de 137ste Wing. Cirkels in rood zijn plekken van (bekende) bominslagen. Vanwege de onzekerheid over de details zijn alleen de vliegrichting (de koers) van de verschillende formaties weergegeven. Waar ze precies vlogen is niet bekend.

De bommen van deze groep tweede groep (die als eerste afwierp) vielen vrij nauwkeurig op en rond het doel, het verkeerde richtpunt bij het Charlotte de Bourbonplein. De bommen vielen volgens het onderzoeksrapport vooral tussen het Juliana van Stolbergplein en het Charlotte de Bourbonplein. De bommen die veel verder bij de Schenkkade vielen op de Anna van Buerenstraat, Wilhelmina van Pruissenstraat en Adelheidstraat moeten van de tweede (eigenlijk eerste) groep zijn geweest.

Terwijl de bommen van de tweede groep naar de grond vielen, was de eerste groep bezig met haar draai. De Franse bommenwerpers volgden de Britse vliegtuigen niet helemaal, want ze braken hun draai naar rechts af en zetten een draai naar links in. De Britse vliegtuigen vlogen uiteindelijk over Rijswijk of Voorburg (25 graden) naar Den Haag. De Franse bommenwerpers vlogen over Wassenaar (235 graden) naar Den Haag.

De eerste groep Britse bommenwerpers kwam dus wat later boven de wijk. Ze vlogen vrijwel tegen de wind in. Ook deze groep had last van de foutief geschatte windgegevens. Hun bommen kwamen niet neer op het foute richtpunt op het Louise de Colignyplein, maar dreven af naar de zuidkant van de wijk en kwamen op en rond de Schenkkade neer.

Het is niet precies bekend waar de bommen van de afzondelrijke groepen Franse Boston-bommenwerpers neerkwamen. Van dit squadron vielen er bommen op de Juliana van Stolberglaan, vlakbij de Laan van Nieuw Oost-Indië en op meerdere plaatsen buiten de wijk, zoals op de Hofpleinlijn, de spoorlijn naar Rotterdam. Die inslagen waren te wijten aan een defect van de richtapparatuur.

Twee aanvalsgolven

Het bombardement werd door meerdere groepen bommenwerpers uitgevoerd, maar veel mensen op de grond dachten dat er slechts twee groepen bommenwerpers waren geweest. De eerste groep bestond dan waarschijnlijk uit de vliegtuigen van de 139ste wing die rond 9.00 uur hun bommen lieten vallen op het Korte Voorhout, Haagse Bos, de Bezuidenhoutseweg en de straten daarachter. Na deze aanvalsgolf zal het even stil zijn geweest.

Tussen ongeveer 9.08 en ongeveer 9.20 uur (of iets later) lieten bommenwerpers van de 137ste wing hun bommen vallen. Zij deden dat in verschillende groepen en dit ging vermoedelijk zo kort na elkaar, dat het leek alsof er één golf bommenwerpers was. In werkelijkheid ging het om in ieder geval drie afzonderlijke groepen. Deze aanvallen raakten het hart van het Bezuidenhout.

Mitchell-bommenwerpers van het 98ste squadron.
Mitchell-bommenwerpers van het 226ste squadron, niet boven Den Haag(Bron: Imperial War Museum).

Vlak na half tien landden de eerste vliegtuigen op vliegbasis Melsbroek. De andere bommenwerpers volgden met tussenpozen. Het laatste vliegtuig landde om 11.04 uur. De bemanningsleden wisten niet dat de woonwijk die ze bombardeerden bewoond was en dat er honderden doden waren gevallen. Na de landing werden de vliegtuigen gereed gemaakt voor een nieuwe aanval in de middag. Het nieuwe doel lag bij de Duitse stad Wesel.

Eerste meldingen over de schade aan het Bezuidenhout

De jachtvliegtuigen van Fighter Command hadden maandenlang V2-doelen in en rond Den Haag aangevallen en de piloten kenden Den Haag goed. Op 3 maart waren jachtvliegtuigen van het 602de squadron op weg om het Haagse Bos aan te vallen, toen ze opdracht kregen uit te wijken naar het Staalduinse Bos. Terwijl ze dit deden, zagen ze in de verte tweemotorige bommenwerpers op weg naar Den Haag. Volgens onderzoeker Simpson zagen de piloten dat de bommenwerpers het verkeerde doel bombardeerden, maar ze konden de bemanningen niet waarschuwen. Hun radio werkte op andere (vaste) frequenties.

Na het bombardement van de Second Tactical Airforce mochten de jachtvliegtuigen van Fighter Command hun aanvallen op V2-doelen in Den Haag voortzetten. Ze vielen deze dag vermoedelijk vooral Duindigt aan. In de verte zagen de piloten de schade in het Bezuidenhout. Zij hadden nog niets gehoord over het bombardement van die ochtend, maar ze konden zien dat de schade moest zijn aangericht door middelzware bommenwerpers. Piloten van het 453ste squadron meldden bij terugkeer: “Mediums hit civvies” (middelzware bommenwerpers hebben burgers getroffen). Een kwartier na het bombardement, om ongeveer 9.45 uur, zagen piloten van het Poolse 303de squadron gebouwen branden in het Bezuidenhout. Niet lang daarna zagen piloten van het 124ste squadron dat alle huizen ten zuidoosten van het bos in brand leken te staan. Ook andere jachtvliegtuigpiloten zagen de schade. Ze hadden de afgelopen maanden zoveel moeite gedaan om burgerdoelen te sparen en nu waren al hun inspanningen in één klap te niet gedaan. Een piloot van het 602de squadron: ”We were shocked that all the efforts we had made to avoid houses had been to no avail”.

De meldingen die de piloten bij terugkeer deden, bereikten niet de luchtmachtleiding in Londen. Ook bij de Second Tactical Airforce had men niets in de gaten. Het korte dagelijkse verslag van deze eenheid meldde alleen een groot vuur ten zuiden van het Haagse Bos: “A large possibly petrol fire was started with columns of smoke and flame just South of the target”. Een verslag van de Second Group meldt dat de meeste bommen in het doelgebied zijn gevallen. Voor zover men iets vernam over schade in de wijk, deed dat geen alarmbellen rinkelen. Misschien kwam dat omdat men dacht te weten dat de bewoners van de wijk waren geëvacueerd.

Bominslagen in het Bezuidenhout.
Bominslagen op het Bezuidenhout (Foto RAF, collectie Haags Gemeentearchief).

In Londen is nog niets bekend

Het duurde enige tijd voordat in Londen doordrong dat het bombardement op een enorme ramp was uitgelopen. De eerste luchtfoto’s van na het bombardement werden pas op 12 maart gemaakt. Er was al eerder een verkenningsvliegtuig over Den Haag gevlogen, maar toen lag het Bezuidenhout verscholen onder bewolking. Door die bewolking waren er ook minder luchtaanvallen met jachtvliegtuigen. Alleen op 5, 9 en 10 maart konden geplande luchtaanvallen door gaan. Ook toen moesten de piloten de enorme schade in het Bezuidenhout hebben gezien. Het is niet helemaal te verklaren dat het nieuws over de ramp pas zo laat doordrong tot de Britse luchtmachtleiding.

De Nederlandse regering

De Nederlandse regering in ballingschap in Londen ontving pas op 6 of 7 maart (vermoedelijk per radio) bericht over de ramp. De eerste berichten waren al zo alarmerend dat marine-attaché C. Moolenburgh op 7 maart het Britse Air Ministry om opheldering vroeg. Moolenbergh schreef begrip te hebben voor de Britse acties tegen de V2, maar hij wees erop dat ze het leven en bezittingen van de Nederlandse bevolking in gevaar brachten. Moolenbergh verzocht alle aanvallen tegen bewoonde delen van Den Haag te staken. Moolenbergh schreef dat hij verbaasd was dat hij niet van tevoren op de hoogte was gesteld van het zware bombardement. Dat was immers zo afgesproken.

Ambassadeur Michiels van Verduynen protesteerde ook op 7 maart bij de Britse minister van buitenlandse zaken, Anthony Eden. De volgende ochtend overhandigde hij hetzelfde protest aan de minister voor luchtvaart Archibald Sinclair. Die vroeg de luchtmachtbevelhebbers om een reactie op de brief.

Op 14 maart publiceerde het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een rapport over het bombardement. Dat was opgesteld aan de hand van de informatie die een Nederlandse KLM-functionaris had gegeven. De man (die anoniem bleef) was op 5 maart vanuit bezet Den Haag vertrokken en had na dagenlange omzwervingen het bevrijdde Brussel bereikt. Het Engelstalige rapport gaf informatie over de V2-lanceringen en informatie over de schade die het bombardement had veroorzaakt. Het rapport gaf vermoedelijk de eerste details over de schade. Fragmenten uit het rapport:

“… These bombers flew at a high altitude. There was a stiff N.W. breeze on ground level. The bombers dropped both incendiary bombs and H.E. bombs which fell in the part of the town adjoining the residential area known as Bezuidenhout. Large portions of that part of the town became totally uninhabitable. There lived in that part of town, roughly speaking, 100,000 people who had to be evacuated the same day, their houses (in so far as they still existed) having become uninhabitable by the effect of flying glass, fallen ceilings and other forms of damage. The greater part of these people were sent to the adjoining township of Voorburg. Broadly speaking the following streets were destroyed or heavily damaged […]. The number of wounded was very considerable. Alle hospitals were full to overflowing. The number of dead is in the nature of 800.

[…]

Damage is ernormous. It is necessary in order to assess its effect to recall that the Germans had previously destroyed a large part of the Hague in order to make a Defence Zone where extensive residential quarters had been standing. The temper of the civilian population has become violently anti-Ally as a result of this bombardment. Before the bombardment the population was already very irritable because of the extreme scarcity of foodstuffs. Now, they have found themselves in a catastrophic condition, hence the reproaches against the Allies”. De genoemde aantallen geëvacueerden en doden waren zo groot dat de Britten het rapport niet geloofden.

De Britse reactie

De minister van luchtvaart Sinclair vroeg om een reactie van de plaatsvervangend commandant van de Britse luchtmacht (Chief of the Air Staff) Norman Bottomley. Die baseerde zich op informatie van de commandant van de Second Tactical Airforce (Air Officer Commanding-in-Chief) Arthur Coningham.

Coningham verzekerde opperbevelhbber Bottomley dat het Haagse Bos groot genoeg was om met middelzware bommenwerpers te bombarderen. Dat kon zelfs nog met Gee-H. Men was zelfs voorzichtig geweest, want de vliegers hadden opdracht gekregen om ‘op zicht’ te bombarderen en dit te controleren met Gee-H (“but to make certain that there was no error in identification of target, visual bombing checked by G-H bombing was ordered”). Dit stond niet zo vermeld in de aanvalsopdracht, want de bemanningsleden mochten ook alleen met Gee-H bombarderen. Volgens Coningham waren de bemanningsleden goed geïnstrueerd. Hij dacht dat alle bommen ten zuiden van het doel waren gevallen door een slechte inschatting van de wind: “There is no question that the crews were not properly briefed […] it would appear that a bad assessment of the wind may have been made and resulted in all bombs falling on the southern side of the target area”.

Bottomley schreef vervolgens op 10 maart aan minister Sinclair dat het Haagse Bos onder normale omstandigheden gebombardeerd kon worden zonder overmatig grote gevaren voor de burgerbevolking. Dat het toch verkeerd was gegaan kwam volgens hem door vier fouten:

1. fouten bij het afwerpen van de bommen (“a misappreciation of the results of bombing errors from an attack of this nature”)

2. fouten in de voorbereiding (“a faulty briefing”)

3. grove fouten door slecht zicht, vijandelijke acties of door een andere oorzaak (“gross error in bombing due to bad visibility, enemy actions or some other cause”)

4. een serie bommen was (door technische oorzaak) te laat gevallen, waardoor een relatief klein aantal toch een groot aantal slachtoffers veroorzaakt had (“a hang-up in salvo of bombs which […] relatively few in number may have […] heavy casualties”).

Maar de opperbevelhebber van de Britse luchtmacht, Charles Portal, vond het rapport mager. Hij schreef dat het bombardement onwaarschijnlijk slecht was uitgevoerd als de voorbereidingen inderdaad zo goed waren geweest. Hij wilde een beter onderzoek en hij wilde weten wanneer Coningham’s bommenwerpers in staat zouden zijn zo’n bombardement zonder zulke fouten uit te voeren.

Winston Churchill

Vervolgens kwam de ramp ook de Britse premier Winston Churchill ter ore. Die reageerde furieus in een persoonlijke brief van 18 maart. Hij wilde uitleg over het “uitzonderlijk slecht” uitgevoerde bombardement (“the extaordinarily bad aiming which has led to the slaughter of Dutchmen”. Ook wilde hij weten of het aanvallen van spoorlijnen niet effectiever was geweest dan het bombarderen “van deze ongelukkige stad” (“all that has been done is to scatter bombs about this unfortunate city without the slightest effect on their rocket sites but much on innocent human lives and the sentiments of friendly people”).

Er worden meer fouten bekend

Volgens Bottomley waren er dus meer fouten gemaakt dan een verkeerde inschatting van de wind. Op 18 maart stuurde de commandant van Second Group (Basil Embry) het resultaat van zijn onderzoek naar Coningham. Embry wees op twee fouten. De eerste was dat er ten onrechte was gemeld dat het Bezuidenhout onbewoond was. De tweede was dat een inlichtingenofficier van de 137ste Wing de coördinaten van zijn richtpunt had verwisseld (“a grave error had been made by the Duty Intelligence Officer in 137 Wing”). Tegen deze officier zouden maatregelen worden genomen.

Brief van Basil Embry aan zijn commandant Coningham.

Brief van Basil Embry aan zijn commandant Coningham (National Archives Londen)

Coningham zond Embry’s verslag de volgende dag (19 maart) door aan opperbevelhebber Portal. Hij zou het incident verder laten uitzoeken: “I received the attached letter, which for the first time shows that there was a mistake that affected the briefing. My report that all the briefing was correct must in the light of this new information be amended”.

Geheime dossiers

De Britten wisten nu welke fouten er waren gemaakt, maar zij maakten de nieuwe informatie niet openbaar. De onderzoeksdossiers bleven geheim. Als officiële lezing hield men aan dat er een verkeerde inschatting was gemaakt van de wind. Het rapport waar alle fouten in werden genoemd, werd pas in 1972 openbaar en bleef daarna nog jaren onopgemerkt in een Brits archief liggen.

Veel mensen in Nederland geloofden niet in de officieel erkende oorzaak. Zij geloofden niet dat een fout met de windgegevens zoveel schade kon hebben aangericht. Het is ook moeilijk voor te stellen dat bommen zover van het Haagse Bos afdreven dat ze op de Schenkkade neerkwamen. Daarom bedachten mensen eigen theorieën. Iemand bedacht dat de Britten het Bezuidenhout bewust hadden gebombardeerd om het communistische verzet te raken. Iemand anders opperde dat men een Duitse radiozender wilde uitschakelen die een rol zou hebben gespeeld bij het Englandspiel (een mislukte spionageoperatie). Voor deze theorieën is geen enkel bewijs te vinden. Het gaat ook niet om gevaren waarvoor je het risico neemt een woonwijk in een bevriend land te bombarderen.

De ware toedracht wordt bekend

Wat er werkelijk was misgegaan werd pas in 1984 bekend door onderzoek van A. Korthals Altes. Voor zijn boek Luchtgevaar, over luchtacties boven Nederland, bestudeerde hij de inmiddels niet meer geheime dossiers over het bombardement. De dossiers waren al langer openbaar, maar hij was de eerste die hierin onderzoek deed en over de gemaakte fouten schreef. Vlak na het verschijnen van zijn boek kreeg hij nog meer nieuwe informatie. De Britse inlichtingenofficier C.B. Reynolds had in de oorlog op de Britse basis Medmenham luchtfoto’s geanalyseerd. Enkele dagen vóór het bombardement was hem opgevallen dat het Haagse Bos niet meer werd gebruikt voor de opslag van V2’s. Reynolds wist dat er een zwaar bombardement werd voorbereid en hij probeerde dit te verhinderen. Hij stuurde een telegram aan Fighter Command, maar daar werd zijn informatie genegeerd. Men vond dat het bombardement toch door moest gaan. Men wist dat de Duitsers steeds van locatie wisselden en blijkbaar wilde men dat het Haagse Bos ook in de toekomst niet gebruikt kon worden. Toen Reynolds hoorde over het boek van Korthals Altes benaderde hij deze, maar zijn verhaal was te laat voor opname in het boek. Korthals Altes vertelde het verhaal wel in interviews aan journalisten die hem interviewden over zijn nieuwe boek.

Schuld

Uit de door Korthals Altes bestudeerde dossiers bleek dat de inlichtingenofficier van de 137ste wing voor de krijgsraad kwam. De officier waarvan alleen de inititalen LCR bekend zijn, kreeg een berisping voor het feit dat hij het richtpunt van zijn eenheid foutief had ingetekend in het Bezuidenhout32. De fout van deze officier veroorzaakte inderdaad de meeste slachtoffers, maar andere fouten maakten meer slachtoffers dan vaak wordt aangenomen. Officier LCR had niets te maken met de verkeerde inschatting van de wind door bemanningsleden van de 139ste wing en ook niet met het onjuiste bericht dat het Bezuidenhout niet werd bewoond door burgers. Deze fouten veroorzaakten ook veel slachtoffers.

Op onderstaande kaart staat aangegeven op welke locaties bommen insloegen en waar slachtoffers werden gevonden. Van veel bominslagen is bekend welk squadron de bom had afgeworpen. Het is ook bekend voor welke fout elk squadron verantwoordelijk was. Op de kaart kun je zien dat bommen van de 139ste wing, die op het Haagse Bos hadden moeten vallen, tot ver in het Bezuidenhout terecht kwamen. De slachtoffers van deze bommen waren dus te wijten aan de verkeerde inschatting van de wind. Bommen van de 137ste wing vielen in een gebied rond het verkeerde richtpunt aan het Louise de Colignyplein. De slachtoffers die door deze bommen vielen, waren te wijten aan de fout van officier LCR.

De fouten gemaakt door de 139ste wing veroorzaakten in ieder geval de schade boven de groene lijnen op de kaart en vermoedelijk ook de schade tussen de twee groene lijnen. De fouten gemaakt bij de 137ste wing veroorzaakte schade in het gebied onder de onderste groene lijn.

Het doel was te klein

Het is duidelijk dat de fout van inlichtingenofficier LCR de meeste schade veroorzaakte, waarschijnlijk iets meer dan de helft van het aantal slachtoffers. Maar de bommen die door een verkeerde schatting van de wind ver afdreven naar het Bezuidenhout veroorzaakten ook veel schade, waarschijnlijk een kwart tot bijna de helft van het aantal slachtoffers.

Het was niet voor niets dat commandant Basil Embry vond dat de afstand tussen richtpunt en woonhuizen 1.000 voet moest zijn. Andere officieren leken 500 voet al voldoende te vinden, maar op 3 maart had Embry gelijk. Geen bom kwam toen verder dan 1.000 voet van het richtpunt (afgezien van enkele vliegtuigen die kampten met een fout in het bommenrichtsysteem)

Kaart bominslagen

Overzicht van de bominslagen, de schade en de slachtoffers. In rode cirkels de bominslagen die aan een bepaald squadron zijn toegewezen. De rode blokjes zijn bominslagen die op de grond werden geregistreerd. Een aantal daarvan valt niet toe te schrijven aan een squadron. Het groene kruis onder het midden geeft het foute richtpunt aan. De bovenste groene lijn geeft aan tot waar de bommen van de 139ste Wing vielen. De schade onder de onderste groene lijn is toe te schrijven aan de fout met de coördinaten. Daar vielen bommen van de 137ste Wing. De schade in het gebied tussen de groene lijnen is waarschijnlijk toe te schrijven aan de fout met de wind. De schade van de bominslagen bij de Schenkkade is gedeeltelijk ook toe te schrijven aan een verkeerde inschatting van de wind. Op de kaart zelf geven rood en blauw de verbrande en verwoeste huizen aan en groen de licht beschadigde huizen.

Britse luchtmachtofficieren dachten verschillend over de geschiktheid van het Haagse Bos als doel voor middelzware bommenwerpers. Ook Nederlandse bemanningsleden dachten hier verschillend over. De een vond het een “prachtig” doel dat ver van de huizen af lag en “bepaald niet te klein”, zoals een gebruikelijk doelwit als een brug. Maar een Nederlandse piloot vertelde dat de wind een van de grootste problemen was geweest bij het bombarderen. Hij had met Gee-H een aantal “voortreffelijke” resultaten gehad, maar hij had ook meegemaakt dat bommen op een halve mijl van het doel neerkwamen. Het Haagse Bos was volgens hem een te klein doel. Dit had je alleen kunnen bombarderen als de aangrenzende woonwijken (Benoordenhout en Bezuidenhout) onbewoond waren geweest.

Historicus Stephen L. McFarland beschrijft hoe moeilijk het is om nauwkeurig te bombarderen. Hij nam de Amerikaanse B-17 bommenwerper als voorbeeld. Als de bemanning op 23.000 voet een bom afwerpt bij een snelheid van 160 mijl per uur, dan moeten ze dat doen op 8.875 voet afstand van het doel (over de grond gerekend). De bom zweeft in 38 seconden naar het doel. Als het vliegtuig iets sneller of hoger vliegt dan wat is ingevoerd in de richtapparatuur, valt de bom naast het doel. Als het vliegtuig twee mijl per uur sneller of langzamer vliegt of 25 Voor een overzicht van bominslagen zie bijlage 4voet hoger of lager, valt de bom 115 voet naast het doel. Uit naoorlogs onderzoek bleek dat de 31,8% van de bommen van de Amerikaanse luchtmacht in Europa binnen 1.000 voet van het doel viel (vanaf een gemiddelde hoogte van 21.000 voet). De meeste bommen vielen dus verder van het doel. Bij de Amerikaanse luchtmacht in Azië viel 31 percent van de bommen binnen 1.000 voet van het doel, maar deze werden afgeworpen vanaf een lagere hoogte (gemiddeld 16.500 voet).

Uit Britse statistieken blijkt dat bepaalde typen bommenwerpers nauwkeuriger bombardeerden. Vliegtuigen van het type Mosquito hadden gemiddeld slechts 3,8 ton bommen nodig om een V1-lanceerplatform in Noord-Frankrijk te vernietigen. Bommenwerpers van het type B-25 Mitchell moesten 224,5 ton bommen afwerpen voor hetzelfde resultaat. Mitchellbommenwerpers wierpen dus meer bommen naast het doel dan Mosquitobommenwerpers. Maar men durfde de Mosquito niet boven het Haagse Bos te gebruiken. Deze van hout gemaakte en snel en laag vliegende bommenwerper vond men te kwetsbaar voor het zware Duits luchtafweergeschut dat rond Den Haag stond opgesteld.

Schade en slachtoffers

De schade die het bombardement aanrichtte was enorm. De schade werd niet alleen veroorzaakt door de bominslagen, maar ook door de branden die uitbraken. Er heerste een sterke noordwesten wind waardoor de branden zich snel verspreidden door de wijk, in zuidwestelijke richting. De branden veroorzaakten waarschijnlijk veel meer schade aan huizen dan de bominslagen. Op een kaart van de Haagse brandweer is te zien welke percelen volledig werden verwoest, welke werden beschadigd en welke licht werden beschadigd.

Het aantal slachtoffers was niet meteen bekend. Direct na het bombardement werden veel mensen vermist, maar niet elke vermiste lag verborgen onder het puin. Veel mensen waren na het bombardement meteen vertrokken naar familie buiten de wijk of familie buiten Den Haag. Omdat post en telefoon niet werkten, duurde het soms weken voordat mensen hun verhuizing konden doorgeven aan het Haagse bevolkingsregister of aan buren. Het zoeken naar slachtoffers ging nog wekenlang door en de gevonden mensen waren soms moeilijk te identificeren. Volgens de gemeente waren 510 mensen om het leven gekomen en er waren 344 mensen min of meer ernstig gewond. Daarnaast waren 1839 percelen uitgebrand, 391 percelen onherstelbaar beschadigd en 1168 licht beschadigd. Een andere opgave vermeldt ruim 500 doden en een zeer groot aantal gebouwen dat verwoest was of zwaar beschadigd: ruim 3300 woningen, 290 bedrijven, twee bakkerijen, vijf kerkelijke gebouwen, twee pastorieën, 15 scholen en gymnastieklokalen, 64 kantoren, tien openbare gebouwen en acht ziekeninrichtingen.

 

Voor een overzicht van gerapporteerde bominslagen zie bijlage 4.

 

Zie voor vervolg deel 4: op de grond.

 

Verantwoording

Deze pagina geeft een verkorte geschiedenis van het bombardement van 3 maart 1945 aan de hand van literatuur en archieven. Bijgewerkte versie, met textuele wijzigingen, 23 november 2017, met dank aan Aat Visser.

Literatuur

• A. Korthals Altes, Luchtgevaar. Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945, Amsterdam, 1984.

• Bill Simpson, Spitfire Dive-bombers Versus the V2. Fighter Command’s Battle with Hitler’s Mobile Missiles, Barnsley 2007.

• Carlo Tinschert, Boodschap aan de bevolking van Den Haag. Oorzaken, gevolgen en nasleep van het mislukte bombardement op het Bezuidenhout, 3 maart 1945, Den Haag 2005.

• Gerrit J. Zwanenburg, En nooit was het stil… Kroniek van een luchtoorlog, deel 2, z.pl, z.j.

Noten

1. Brief van 25 februari 1945 van HQ Fighter Command aan HQ Second Tactical Airforce, door Sgd C.H. Ambler AVM namens de commandant van Fighter Command. (22 februari wordt ook genoemd als datum van deze vergadering)

2. Uit brief van Air Vice-Marshall Ambler d.d. 25 februari 1945 in: National Archives, Londen, AIR 20/794.

3. National Archives, Londen, AIR 20/794, Simpson 152-154, 159.

4. Simpson 165.

5. National Archives Londen, AIR 20/795, zie ook Korhals Altes 289, Tinschert 50-51.

6. Korthals Altes 289-290.

7. Operations Record Book ‘Form 540’, National Archives Londen, AIR 27/784.

8. Tinschert 51-52, Geldof 444.

9. John Gooch, Airpower: theory and practice haalt op pagina 173 cijfers aan uit een rapport van Odishaw uit 1946. Met visueel richten bestond 30% kans dat een afgeworpen bom binnen 1000 feet (304 meter) van een doel afviel en 64% kans dat een bom binnen een halve mijl (800 meter) van het doel viel. Met Gee-H was er 5% kans dat een bom binnen 304 meter van het doel afviel en 26% dat dit binnen 800 meter was.

10. Geldhof 395-438.

11. Extract uit het logboek van de Tweede Tactical Airforce:

FROM 2 GROUP:

TEXT: what about the targets? I explained had asked SHAEF about Hague Crossbow who told me A.M. sanction required – explained was trying to find about possibility of nearby houses being occupied buy Dutch.

ACTION: Consulted S/L Nicholls. Asked Duty G/C HQFC if he could see: 1) if general clearance received to attack by A.M. [Air Ministry] 2) if houses within 500 yds of general area occupied by Dutch.

12. Extract uit het logboek van de Tweede Tactical Airforce:

2310

FROM Duty G/C HQFC

TEXT: Re above – General clearance has been given by A.M. for this target to be attacked. Houses within 500 yds of the whole target area have been cleared of inhabitants.

ACTION: Passed to 2 Group who are laying on.

13. National Archives Londen, AIR 20/795, Operational Order AO.717 – 3 March 1945, AIR 2/8863, dossier A.E.A.F. Special Operations; Korthals Altes 289-290, Simpson 178.

14. Korthals Altes 290.

15. Zie www.bezuidenhout.nl; National Archives Londen, AIR 27/1714.

16. o.a. dossier ‘Air Attack on the Hague – Summary of Information’, National Archives, Londen, dossier AIR20/7095, zie ook Korthals Altes 291-292; Operations Record Book ‘Form 540’ van het 98ste squadron, National Archives AIR 27/784 en AIR 27/1714.

17. AIR 20/795, dossier Air Attack on the Hague – Summary of Information, met bijlagen, Operations Record Book ‘Form 540’ van het 180ste squadron, National Archives AIR 27/1132; zie ook kaart uit AIR 20/795.

18. AIR 20/795, dossier Air Attack on the Hague – Summary of Information, met bijlagen, zie ook kaart uit AIR 20/795, Tinschert 198-200.

19. Simpson 161-171.

20. Simpson 174.

21. Zwanenburg 573-578.

22. National Archives, Londen, AIR 2/8863, Tinschert 76.

23. Delen van de tekst aangegeven met […] zijn niet overgenomen; bron: National Archives, Londen, AIR 2/8863.

24. National Archives, Londen, AIR 2/8863.

25. […] is tekst weggevallen op de kopie van de tekst, bron: National Archives, Londen, AIR 2/8863.

26. National Archives, Londen, brief in dossier AIR 2/8863.

27. National Archives, Londen, brief in dossier AIR 2/8863.

28. National Archives, Londen, brief in dossier AIR 2/8863.

29. National Archives, Londen, brief in dossier AIR 2/8863.

30. Tinschert 142.

31. De dossiers werden in 1972 openbaar, maar tot de publicatie van Korthals Altes lijkt niet eerder onderzoek naar het bombardement te zijn gepubliceerd; bronnen: boek Korthals Altes: zie literatuurlijst; verhaal van de Britse officier Reynolds: Vrij Nederland 2 maart 1975, p. 7.

32. Tinschert 131, 141.

33. Het werkelijke aantal slachtoffers was groter, maar een vollediger lijst van slachtoffers met adressen waar ze gevonden werden was niet te vinden.

34. Doll, 83, 90.

35. John T. Correll, ‘Daylight Precision Bombing’, in airforce-magazine.com, October 2008, gevonden op 12-09-2011 op Airforce-magazine.com.

36. Geldhof 329-330, het geruchtmakende rapport was het ‘Bennett-rapport’, gevonden op 12-12-2011 op De Havilland Mosquito, Part 2.

37. Jaarverslag gemeente 1945, p. 2, 20.

 

Gegevens 1 op 1 overgenomen van :

www.anemaa.home.xs4all.nl/ges/geschiedenis_den_haag.htm

Een <a href="http://bezuidenhout.nl">Bezuidenhout</a> site

error: Inhoud is tegen kopiëren beschermd !!

Naar boven ⬆