Bekende Bezuidenhouters – Interviews

Karel Bouwens: van Vlaskamp tot voetbalprof

Als aanvaller van FC Den Haag speelde Karel Bouwens een belangrijke rol bij de wederopstanding van de club in de jaren 80. De basis voor een loopbaan als gehaaide prof legde hij in de jaren 70 in Bezuidenhout. “Ik bewaar heel warme herinneringen aan de wijk.”

Dat de generatie die in de jaren 70 in het Bezuidenhout opgroeide een profvoetballer voort zou brengen, was niet meer dan logisch. Ik kan mij niet voorstellen dat er toen elders in Den Haag zo intensief en fanatiek tegen een bal werd geschopt als op onze straten, schoolpleinen en gras. De eer viel uiteindelijk te beurt aan Karel Bouwens, die precies wist wat hij wilde toen hij – na een verhuizing van Voorburg naar de Van Lansbergestraat in 1968 – als B-junior van SV Voorburg naar de jeugd van VUC zou overstappen. “Betaald voetballer worden.” De ballotage van VUC leek aanvankelijk roet in het eten te gooien. Nadat zijn moeder op gesprek bij de club was geweest, kreeg de aspirant-voetbalprof te horen dat hij niet zou worden aangenomen. Een reden daarvoor werd niet gegeven. “Misschien was het omdat mijn ouders gescheiden waren. Het kan ook zijn dat het kwam doordat heren van de kantine van VUC mij in de buurt op straat zagen spelen en kattekwaad uithalen. Mijn moeder werkte de hele dag, dus ik speelde veel op straat.”

Voetbalvrienden

Juist aan dat spelen op straat koestert Bouwens warme herinneringen. “Ik had veel voetbalvrienden, met wie ik elke middag speelde op het schoolplein van de Gaspard de Colignyschool. Als er daar een bal tegen de ruiten ging, kwam steeds de oude conciërge – die wij Snuffel noemden – naar buiten. In de lente en de zomer voetbalden wij elke avond op het Vlaskamp.” Ook zonder bal wist de Bezuidenhoutse jeugd zich prima te amuseren. “Eind jaren 60 lag er elke winter sneeuw en hingen wij aan de bumper achter auto’s. Verder had je elk jaar de kerstbomenjacht. Onze bomen gingen in brand op de hoek van de Van Lansbergestraat en de Cornelis van der Lijnstraat. Die bomen hebben wij nog eens verstopt in de kelder van de Heilig Hartschool, waar mijn vrienden Jan Vink en Willem Schijvens op zaten.” Die originele schuilplaats moest hun bomen uit handen houden van de gevreesde ‘Stuyvesant Boys’. “Die hadden elk jaar het grootste vuur en waren heel agressief.”

Tweede kans

Toen Bouwens na zijn afwijzing door VUC bij OSC wilde gaan voetballen, werd zijn moeder plotseling uitgenodigd voor een tweede gesprek.”Zij kreeg te horen dat de club informatie had ingewonnen en ik toch mocht komen.” In zes seizoenen aan Het Kleine Loo legde Bouwens de basis voor zijn overstap naar de profs. “In mijn eerste jaar als B-junior, met Ron Stoop en Lau Peers als leiders, was ik fysiek nog niet goed genoeg. Stoop heeft mij toen laatste man gezet, waar ik door mijn overzicht goed uit de voeten kon.” Na een groeispurt weer teruggekeerd in de aanval schopte hij het via de A-jeugd en het tweede elftal bij VUC tot de hoofdmacht. Met amateurinternational Kees Mol als concurrent moest hij zich echter tevreden stellen met invalbeurten. Trainer Aad de Mos verleidde hem tot een overgang naar rivaal RVC. Daar speelde hij zich razendsnel in de belangstelling van Feyenoord. Na drie seizoenen als full-prof in Rotterdam keerde Bouwens in 1982 terug in de Residentie bij het toen net gedegradeerde FC Den Haag. In een voornamelijk uit jonge spelers bestaande selectie begon hij als een van de voortrekkers. “Ik werd belangrijk gemaakt, was ook aanvoerder.” In het Zuiderpark beleefde hij zijn beste jaren als voetballer. “Ik was duidelijk van de druk bij Feyenoord verlost en kon bij FC Den Haag vrijuit voetballen.” In zes veelbewogen seizoenen hielp hij de club onder meer de nacompetitie halen, ongeslagen promoveren, de KNVB-bekerfinale bereiken en bijna doordringen tot de kwartfinale van het Europa Cup II-toernooi. Behalve met zijn voetballende kwaliteiten onderscheidde Bouwens zich ook door zijn vermogen om oorlog te maken als een wedstrijd daarom vroeg. “Door Dé Stoop (destijds voorzitter) werd ik op vrijdag altijd naar supportersavonden in De Houtzagerij gestuurd. Daardoor had ik een goede band met de supporters op Midden-Noord. Als ik voor hun vak iemand onderuit haalde, begon iedereen te gillen en kregen wij als elftal een extra injectie. Ik ben ook een straatvechter.”

Minder middenstand

Na zijn vertrek uit de Van Lansbergestraat in 1975 bleef Bouwens daar wel regelmatig zijn moeder bezoeken. Zo zag hij het Bezuidenhout van zijn jeugd langzaam maar zeker veranderen. In de wijk waar hij ooit de dagbladen Het Vaderland en de Haagsche Courant bezorgde, wandelt hij nu nog veel. “Ik drink regelmatig koffie bij Engelhard in de Theresiastraat.” De grootste verandering in zijn beleving? “In mijn tijd had je in de buurt veel middenstand: een slager, een kruidenier, een groenteboer, twee zuivelhandels. Bij de warme bakker, Stijnman, stonden zaterdag rijen voor de deur. Als je een nummertje had gehaald, kon je rustig eerst wat anders gaan doen, voor je aan de beurt was. Die winkels zijn nu allemaal weg. En het is in de wijk nu veel drukker.”

Foto: Els Smeets

Naar boven
error:

Deze inhoud is auteursrechtelijk beschermd

U kunt geen content kopiëren, downloaden of printen