Straatwijs: de Stuyvesantstraat

Cabaretier en schrijver Marcel Verreck keerde na een lang verblijf in de hoofdstad terug naar zijn geboortestad Den Haag. Achter de wagen met zijn zoontje herontdekt hij de stad.

De Stuyvesantstraat is één van de belangrijkste straten in mijn familiegeschiedenis. In deze  diagonaal, die vanaf de hoek Schenkkade/Laan van Nieuw Oost Indië het Bezuidenhout in snijdt, stond mijn grootouderlijk huis. Mijn vader heeft het grootste deel van zijn jeugd in die portiekwoning op nummer 59 gewoond. Opa had in een zijstraat een groenten- en kolenhandel die hij dreef met zijn broer.

In de hongerwinter vielen mensen expres flauw voor de deur in de hoop wat aardappelen of  groenten toegestopt te krijgen. Als groentenman heb ik mijn opa niet meegemaakt. Hij sleet zijn laatste arbeidzame jaren als fietsenbewaker in Madurodam en bij het postkantoor in de Scheveningse Badhuisstraat.

Tijdens het verschrikkelijke bombardement van 3 maart 1945 draaide de wind net op tijd. De woning bleef gespaard en staat er nog. Ook op mijn netvlies en tussen mijn neusvleugels.

Het kleine bovenhuis was het slagveld van mijn vaders jeugd (5 broers, 2 zussen), geen metertje ruimte bleef onbenut. Ik ken het huis alleen met aanhang en kinderen, hoe paste het er allemaal in? Met oma’s vogeltjes en opa’s Mariabeelden en de eeuwig brandende vlam, vermomd als klein elektrisch lichtje boven opa’s stoel. Kleedjes. De afgeleefde meubeltjes. De kachel, waarbij ik in mijn jongste schemerjaren nog mijn oude overgrootmoeder zag zitten, de moeder van oma.

Op een dag zat ze er niet meer. Luchtjes, Sluis Vogelzand herinner ik me en de onbeschrijfbare geur van dit doorgangshuis vol Italiaanse taferelen. Oma boven de pannen, met de pollepel als wapen om snoepende zoons te verjagen. Men kwam, at en ging weer. Op één van de muren een foto van mijn 12-jarige vader: hij leek sprekend op mij. En een ander kiekje, dat toont hoe mijn vader bij naoorlogse verkleedwedstrijden de eerste prijs won. Een elfjarig jongetje in overall met pet en kleine aanplaksnor, ondanks de beperkte vermommingscapaciteit onmiskenbaar een look-alike van de zojuist overwonnen dictator Adolf H.. Hij droeg een pot verf in de hand. En om de nek een bord met de zelf verzonnen onweerstaanbare tekst: ‘Was ik maar schilder gebleven!’

Over die wereld kan ik mijn kleine Daniël alleen maar vertellen en hem wandelend het decor tonen. Hier speelde zijn vader en diens vader. En nu hij. De Stuyvesantstraat herbergt nog zoveel verhalen. Dus: Volgende week verder.
Marcel Verreck