Honderden herdenken bombardement

DEN HAAG – Enige honderden Bezuidenhouters en anderen herdachten zondag het bombardement door de RAF dat de wijk op 3 maart 1945 voor een groot deel in de as legde.

Aan het begin van de middag werden bloemen gelegd bij het monument van Juliana van Stolberg op de Koningin Marialaan. Daarbij was namens de gemeente locoburgemeester Marnix Norder aanwezig.

Eerder op de dag was er een oecumenische herdenkingsdienst in de kerk van Onze Lieve Vrouwe van Goede Raad aan de Bezuidenhoutseweg. Het uit Coventry afkomstige Cross of Nails – een kruis van spijkers van de verwoeste kathedraal – is overgedragen aan een vertegenwoordiger van de Driekoningenparochie waar de kerk deel van uitmaakt. Na de bloemenhulde werd de herdenking afgesloten met een concert in het Koninklijk Conservatorium.

Het bestuur van Stichting 3 maart ’45 denkt nog na over eventuele extra activiteiten volgend jaar, wanneer het 65 jaar geleden is dat het bombardement plaatsvond.

‘Ons huis brandde uit, alles was weg’

Vallend puin, lijken op straat en grote branden. Het bombardement op het Bezuidenhout, morgen 64 jaar geleden, zal Loes van der Werff-Van Boxmeer (79) nooit meer vergeten. Haar huis viel ten prooi aan de vlammen, zelf kwam ze ongeschonden uit het inferno.

De hongerwinter was net achter de rug en regelmatig vielen er bommen van dc geallieeerden op Den Haag. De vliegtuigen probeerden de Duitse V2-installaties in het Haagse Bos uit te schakelen. De raketten werden vanaf daar naar Engeland afgeschoten om daar dood en verderf te zaaien.

„In het begin vond ik het wel interessant, al die ingestorte huizen. Ik woonde destijds als 15-jarige met mijn vader in de Agnesstraat, tegenover de huishoudschool. De interesse verdween nadat ik op het Malieveld een aantal doden zag liggen. Dat was eng. Vanaf toen wilde ik niet alleen thuis blijven.’’

Dat gevoel werd nog eens vergergerd toen ze op een avond met een pannetje naar een gymzaal liep om eten te halen. „Er viel een bom op de drogisterij aan de overkant. Ik kreeg allemaal glas over me heen.’’

Dat was echter niks in vergelijking met de gebeurtenissen op 3 maart 1945. „Ik had wat suikerbieten op de kop getikt en de benedenbuurvrouw had deze voor ons gekookt. Ik had ze net opgehaald en was halverwege de trap toen er plots bommen vielen.’’

Door de plotselinge duisternis dacht ze even dat ze onder het puin bedolven was. „Gelukkig was het maar stof. Alle ruiten lagen er uit, de voordeur was aan splinters.’’ De bommen waren terecht gekomen op de huishoudschool. Even daarvoor, net na het luchtalarm, stonden een jongen en een oudere man daar voor de deur te schuilen. „De jongen werd door de druk weggeblazen. De man, die iets verder van de gevel stond, had minder geluk en kwam onder het puin terecht.’’

Van der Werff-Van Boxmeer liep ondertussen snel naar boven, naar haar vader. „Ik heb snel wat Zweeds wittebrood, wat we van het Rode Kruis hadden gekregen, ingepakt. Ook een aantal horloges – mijn vader werkte daarmee – stopte ik in mijn zakken.’’ Uit angst voor een volgend bombardement verlieten ze het huis. „We waren hartstikke bang. We wisten niet hoe snel we weg moesten komen. Er was paniek op straat.’’

Samen liepen ze door de Jacob Mosselstraat naar de Schenkkade. „Toen kwam er een tweede rits vliegtuigen aan. De spetters vlogen je om de oren. We werden een huis in getrokken, zodat we van de straat waren.’’

Nadat de tweede bommenregen voorbij was, liepen ze verder. „Het eerste wat we zagen was een man van wie een schouder was weggeslagen. Toch liep hij gewoon door.’’ Voor de Sint Liduinakerk aan de Schenkkade lagen tientallen lijken. „Wat echt op mijn netvlies is gebrand, is een oudere dame die op haar knieën zat. Ze was de stukjes van twee kinderen bij elkaar aan het vegen. Even verderop lag alleen een hoofd met blond haar. Ook de melkboer was, terwijl hij op zijn karretje zat, getroffen. Omdat zijn voet aan zijn kar bleef hangen, hing hij ondersteboven.’’

Toen de ergste paniek voorbij was, keerde Van der Werff-Van Boxmeer terug naar de Agnesstraat. „Ons huis stond helemaal in lichterlaaie. Later zagen we dat alles was uitgebrand. Alleen het aanrecht met de vleesmolen en het gasfornuis waren overgebleven. We hadden geen kleren meer, alles was weg.’’ De Agnesstraat verdween na de Tweede Wereldoorlog van de kaart.

Ze konden terecht in het huis van haar zus, elders in Den Haag. „Zij was naar het oosten van het land gevlucht, dat inmiddels al bevrijd was. In april was het erg heet, maar ik liep in een skipak te puffen. Het was het enige wat ik nog had. Je leert dat bezit betrekkelijk is. Mensen hebben tegenwoordig veel te veel.’’ Aanvankelijk wilde ze de verschrikkelijke gebeurtenissen achter haar laten. „Vorig jaar ben ik weer eens naar de herdenking geweest. Want dit is iets wat nooit vergeten mag worden.’’ Daarom gaat ze binnenkort ook op enkele basisscholen haar verhaal vertellen. „De jeugd moet weten hoe verschrikkelijk een oorlog is. Dat er ook honger is geweest. En duisternis.’’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *