Brandweerman deel 1

DEN HAAG STAAT IN BRAND!

V E R S L A G

van de Hulp door de Brandweeren van Zaandam En Wormerveer verleend aan de gemeente ’s-Gravenhage op Zondag 4 maart 1945
Samengesteld op order van de den Weledelen heer Kommandant der Brandweer te Zaandam C. Kakes door H.L.M. van Heijnsbergen – Onderkommandant van de Vrijwillige Brandweer te Zaandam.

Circa vijfduizend huizen verbrand of verwoest. Ruim driehonderd personen omgekomen. Vijf Hoofdbrandwachts, van de Haagsche Brandweer onder het puin bedolven en overleden. Een Haarlemsche Brandwacht vanuit een vliegtuig doodgeschoten. Eenige plunderaars gefusilleerd door de Politie en anderen door het publiek doodgeslagen. Verschillende Departementsgebouwen en Scholen verwoest en verbrand. Vier kerken met torens verwoest en uitgebrand, waaronder de groote R.K. Mariakerk aan de Bezuidenhoutscheweg en een R.K. Kerk aan de Schenkweg.

Eenige belangrijke gebouwen en tal van woonhuizen worden door de Zaankanters behouden.

EERSTE DEEL

(Klik hier om meteen naar deel 2 te gaan)

“Den Haag staat in Brand!”: Deze mare kon men des Zaterdagsavonds 3 Maart 1945 hier en daar in onze stad opvangen. De oorzaak was een bombardement van 18 bommenwerpers, dat dien Zaterdagmorgen had plaats gehad.

Maar Den Haag is ver weg. En er liggen zooveel groote plaatsen en dorpen in den omtrek van de Residentie, dat wij geen oogenblik hebben gedacht aan de mogelijkheid, dat de Zaandamsche Brandweer aldaar zou moeten assisteeren.

Den Haag zelf, Rotterdam, Delft, Leiden, Gouda, Haarlem, Oegstgeest, Amsterdam enz.. waren meer tot assistentie aldaar aangewezen dan wij, en bovendien, er werd aan ons geen hulp gevraagd, ergo ging het buiten ons om.

Toch werd om kwart voor vier dien nacht van Zaterdag op Zondag de Kommandant van de Zaandamsche Brandweer opgebeld door den heer Inspecteur van het Rijksbrandwezen in Gewest Twee, den heer Fehres, om hulp te gaan verleenen te Den Haag. Medegedeeld werd, dat men aldaar in het gebied van de Bezuidenhout het vuur nog in geenen deele meester was.

Met Den Haag zelf was geen contact te krijgen, zoodat het verzoek via de Gemeente Leiden was binnengekomen. Bij den oproep werd vermeld, dat door Den Haag geen benzine kon worden verstrekt en dat de manschappen zelf voor hun voeding moesten zorgen.

Door den Kommandant van de Zaandamsche Brandweer werd hierna overleg gepleegd met den Burgemeester van Zaandam, die wel eenige bezwaren had, maar die het tenslotte aan den Kommandant der Brandweer overliet om een besluit te nemen.

Deze riep daarna voor de Hulpverleening op een Autospuit en een Motorspuit van de post Czaar Peterstraat te Zaandam (No. Zeven). Verder de Materiaalwagen met eenige manschappen van de Vrijwillige Brandweer te Zaandam en een Autospuit van de Gemeentelijke Vrijwillige Brandweer te Wormerveer.

Als punt van samenkomst koos men de Czaar Peterstraat, waarvan af gezamenlijk werd weggereden.

Maar de wagens waren niet zoo spoedig als wel gewenscht was weg, daar ze allen, met het oog op eventueele “vorderingen”, reeds zeer vroeg nog opgeladen moesten worden. Bijzondere voorraad benzine, slangen, gereedschappen, enz., moest eerst bijeengegaard worden en daar ging tamelijk veel tijd mee heen. De gewone wagens, die voor brand te Zaandam gereed staan, zijn voldoende van materiaal voorzien om a la minute te kunnen wegrijden, maar dat kan niet met alle wagens het geval zijn, vanwege de omstandigheden.

Bovendien moest er extra benzine meegenomen worden, want voor een dergelijke tocht spreekt het wel vanzelf, dat geeneen wagen, wat de brandstof betreft, daarop is berekend. Maar ook het bijladen van benzine hield teveel tijd op en daarom is deze nachtelijke hulpverleening ook voor ons wel weer goed geweest, want ten opzichte hiervan is een betere regeling getroffen.

Wormerveer verscheen keurig op tijd aan de Start met één harer autospuiten van 1.000 liter en 12 manschappen, onder leiding van den heer Jacob Bus als Kommandant en den heer Jan Dekker als zijn Assistent.

Om ongeveer kwart over vijf zijn we vertrokken, uitgeleide gedaan door de heeren Overtoom en Gé Dekker, die ter bewaking van de stad achterbleven, in combinatie met het Kaderlid, den heer H.J.Visser van de V.B., die mede in Zaandams Veste bleef.

Een ander feit, waarmee we rekening moesten houden, was dit: Tegenwoordig worden op de hoofdwegen zeer veel auto’s door de Engelschen beschoten om het verkeer, dat ook natuurlijk in handen is van de Duitschers, zooveel mogelijk te ontwrichten. Daarom moesten we omrijden. In plaats van de snellere hoofdwegen te nemen reden we binnendoor, dus door de dorpen Lisse, Sassenheim, enz. Hoe dichter we Den Haag naderden, hoe meer namen de verwoestingen toe. Daken van pannen ontbloot, kapotte ruiten, weggeslagen balcons, ingezakte schuren, enz. enz. waren nu, daar het om half zeven dag werd, goed te onderscheiden.

Het was Zondagmorgen.

Het plechtige gelui van de groote torenklokken, die voorheen het vrome deel der bevolking ter kerke riepen, misten we noode. Ook deze klokken zijn heel het land door weggehaald.

In talrijke dorpen, waar we doorheen reden, trok men in Zondagsche kleedij reeds zeer vroeg kerkwaarts ons nastarend en begrijpend, waarheen wij ons spoedden. En even dacht ik aan het verschil tusschen hen en ons, tusschen hun gang en de onze.

Zij zouden straks met hun gedacht en ziel zich mogen vermeien in hoogere dingen en een tip van het Hemelsche mogen aanraken en zich in de sfeer van die dingen mogen inleven, en wij zouden worden verplaatst in een ware hel, waar met onbeschrijflijk geraas en lawaai V-I’s werden afgeschoten, waar opnieuw werd gebombardeerd, waar een hevig afweergeschut knalde, geweerschoten weerklonken, enz. enz. , terwijl we zouden vertoeven in een brandend en verwoest stadsdeel met weeklagende, hongerende menschen, lijkentransporten, instortende huizen, en om eten vragende, welgestelde burgers.

Reeds toen we door Wassenaar reden, werden we opgeschrikt door het afschieten van zoo’n helsche machine, die zulk een afgrijselijk en afschrikwekkend lawaai maakte, dat mannen op de spuiten wit zagen van de schrik.

En toen we een half uur lang in Den Haag vertoefden, waren we het met elkander eens, dat we in een oord van verschrikking waren terecht gekomen, waaruit we ten spoedigste moesten verdwijnen. Maat er was zooveel voor ons te doen en te blusschen, dat we ons plan om zoo spoedig mogelijk terug te gaan niet ten uitvoer konden brengen, terwijl we er later op den dag ook niet meer over hebben gepraat of gedacht.

Om tegen acht uur des morgens arriveerden we in Den Haag. We stopten op de Bezuidenhoutscheweg, hoek De Carpentierstraat. De stad leverde zuiver een aanblik op van een door den oorlog geteisterde Gemeente. Er was zoo goed als geen mensch buitenshuis en de straten waren verlaten. ‘Rookend hout lag op straat en hier en daar wat smeulend huisraad erbij. Alle wegen waren bezaaid met pannen, glas, puin, raamkozijnen, hout, daklijsten, weggeslagen ramen, beddegoed, enz.

Links van ons, in de De Carpentierstraat, stond een zeer hoog pand totaal in vlammen. Slechts enkele bewoners liepen er wanhopig heen en weer, want hulp was er niet en kwam er ook niet. En de overige huizen liepen gevaar in hetzelfde lot van het fel brandende pand te moeten deelen, want zoowel de linker als de rechter belending liepen groot gevaar. Op order van den heer Kakes ving de Autospuit van Wormerveer hier direct met de blussching aan, tot grote opluchting der omwonenden.

Tegen den middag waren we hiermee gereed, waarna hun een nieuw object werd aangewezen, en wel in de Laan van Nieuw Oost-Indië.

Maar er was hier bij de De Carpentierstraat nog meer brand in de buurt. Op de Bezuidenhoutscheweg n.l. stond een prachtig R.K.Kerk met een zeer hooge, massieve toren. De kerk was reeds zoo goed als uitgebrand, maar de toren stond nog van binnen in brand. Maar er werd, en er kon niets meer aan gedaan worden daar de brand reeds te ver heen was. De toren stond vanaf Zaterdagmorgen half tien reeds in brand, zoodat instorting niet denkbeeldig was. Dit geschiedde dan ook drie kwartier later hetgeen wij vanuit de verte konden waarnemen. De geweldig hoogopgaande vlammen leverden een zeer interessant schouwspel op, maar het beeld’ werd telkens aan onze oogen onttrokken door de rookwolken van andere branden die over de stad trokken. En omdat dus deze kerk en toren zóó niet meer door, ons gebluscht konden worden, trokken we de stad in, om ons eerst zooals het behoort, aan de Centralepost te melden, om aldaar orders in ontvangst te nemen. We reden dus verschillende branden voorbij. Dat moet je eigenlijk gewend zijn om met een Brandweerwagen een straat waarin brand is, in te vliegen, en dan die brand maar voorbij te rennen, doende, alsof je niets Ziet. “Ha,” denken de menschen,”daar komt de Brandweer eindelijk. Vierentwintig uur brandt het hier reeds. Gelukkig, eindelijk hulp.” Maar de Brandweer gelooft het wel, en rijdt de straat aan den anderen kant weer even snel uit als ze er aan geene zijde is ingekomen, en de angstig saamscholende bewoners hebben er het nakijken aan.

Het was moeilijk de heeren van de Inspectie te vinden, want ook hun post was onbewoonbaar en dus verlaten.

Maar na eenig heen en weer gerij, o.a. langs een versplinterde kerktoren, waarvan de trotsche haan van zijn verheven standpunt omlaag was gestort, ontmoetten we den heer Inspecteur Fehres, die een lijstje bij zich droeg waarop talrijke adressen stonden vermeld waar brandweerhulp dringend noodig was. Een ordonnans bracht ons erheen. De mannen van de twee spuiten van de No 7 en van de V.B. gingen als één combinatie aan het werk.

Om te beginnen verdeelde de heer Kakes ons in drieën en zoo pakten we drie brandadressen tegelijk aan, terwijl Wormerveer zich nog steeds bezig hield met de brand in de De Carpentierstraat, waaraan ze volgens zeggen van hun chef, den heer J.Bus, “puur zoo’n kluif hadden”.

Wij begonnen te blusschen in de Charlotte de Bourbonstraat, waar twaalf huizen, naast elkaar gelegen, zwaar gehavend waren, terwijl acht ervan geheel of gedeeltelijk brandden. Ook alle andere huizen in deze omgeving hadden veel geleden. Alle ruiten waren er uit, ook de groote etalageruiten van de winkels lagen aan gruzelementen. Overal hoorde men glas vallen en glas wegscheppen.

De inhoud van een etalage van een groote kruidenierswinkel was door de luchtdruk finaal naar achteren geschoven. De etalagekasten lagen vol met glas, maar alles, wat tot de eigenlijke etalage had behoord, lag door den winkel verspreid. Ledige doozen van Honig’s pudding en Adelaarszeep, zuurtjesflesschen van Promena Boon & Co., ledige blikken van Verkade bij tientallen, een groote reclameplaat van Hille’s koek, een groote roode bus van Keg’s thee, enz. enz. De Zaan was er goed vertegenwoordigd.

Al blusschende hoorden we, dat in de straat achter die waar we werkzaam waren, die Zondagmorgen vroeg een V-I was neergekomen, die een paar straten had vernietigd en opnieuw tientallen dooden had geëischt. Geen wonder dat toen, even nadat we in die straat ons werk hadden aangevangen, opnieuw een bombardement aanving, een nieuwe V-I werd afgeschoten, het afweergeschut hevig knalde, talrijke mitrailleurs ratelden en geweersalvo’s weerklonken, de bewoners vol angst wegrenden, ons toeroepende: “zoek dekking, dekking!”

Maar waar moesten we heen?

Dekking?

In of onder die ruïnes, die gammele huizen, die wankelende muren? Nu opnieuw de bommen ontploften, de aarde dreunde, de bouwvallen wankelden?

“Dekking!” riep men ons toe vanuit een bovenverdieping van een ruitloos huis, maar een pijpleider van de Zeven, en ik, bezig slangen te koppelen, drongen dicht tegen elkaar aan, niet wetende waar dekking was te vinden. Hij kreeg een stuk kalk op zijn rug en ik een stuk steen op mijn helm, waardoor het montuur werd vernield.

Op dat oogenblik schrok ik wel even, niet wetende,wat het was; maar mijn maat van de Zeven zei; “Het is hier hel, we moeten hier gauw weer vandaan.” Ik was het met hem eens, maar dat “gauw” zou toch nog dertien uren duren, want dien avond te 10 uur pas vertrokken we uit de zoo zwaar gehavende Residentie.

Met drie stralen, twee op de groote autospuit en één op de Babyspuit, bluschten we daar. De heer Melief, Kommandant van de Zeven, had me verzocht hier het manuaal te voeren, maar ik kreeg slechts vier man om drie stralen te bedienen en later moest ik daar nog één man van afstaan, maar daar was niets aan te doen, want we hadden veel te kort volk en zelfs ook veel te kort spuiten, want in heel de stad was brand en spuiten zag je niet.

De vorige dag waren er 33 spuiten geweest van buiten, maar die waren in den loop van den middag en avond allemaal weer weggegaan wegens gebrek aan benzine.

Ook van de Haagsche Brandweer zagen we niet eerder een spuit ten tooneele verschijnen dan in den loop van den middag.

Deze spuiten, hadden n.l. de vorige dag en nacht aan één stuk gewerkt, en daar er van het Haagsche corps ongeveer 150 man naar Duitschland was vervoerd zoomede veel bluschingmateriaal benevens hun benzinevoorraad, daar kon ook dit corps niet veel beginnen. Maar nu, na een korte rustpoos, kwamen ze weer in touw, doch meerdere of andere Brandweercorpsen hebben we niet gezien. Ja toch, in den middag kwam er ook nog een Autospuit uit Wassenaar die er de vorige dag ook reeds was geweest en die weer benzine op de kop had getikt. Maar die gansche Zondag was het zoowat alleen de Zaan, die werkelijk aan het bluschen was.

In bijzonderheden zal ik U van die blusschingen, wat het technische gedeelte betreft, niet vertellen. Alleen wil ik vermelden, dat Kommandant Kakes met de Rijksinspectie de stad is doorgereden en dat hij ons rapporteerde: “op talrijke plaatsen is brand.”

Er was dus werk genoeg, en de kans op uitbreiding was zeer groot. Het brandende mastiek van “de platte daken deed de brand via het plattinghout van het eene naar het andere huis voortvreten, waartoe ook het zeer droge, in de plafonds aanwezige riet, bijzonder bijdroeg. En daar het binnen in de huizen afgrijselijk tochtte, omdat alle ramen en deuren er uit lagen, daar vrat het vuur snel voort van de eene woning naar de andere. Heele rijen huizen gingen er aan.

De groote Autospuit van de Zeven stond op de hoek van de Charlotte de Bourbonstraat en de Schenkkade.

De 1.000-liter Babyspuit stond er naast, beide spuiten gaven uitstekend water en zagen er keurig onderhouden uit.

In deze straat bluschten we flinke branden op allerlei etages; veel zorg besteedden we aan het voorkomen van het overslaan der vlammen naar de belendingen die tegen het brandende gedeelte waren aangebouwd. Dit baarde ons zeer veel zorg en moeite en noodzaakte ons tot voortdurende waakzaamheid. Verschillende bewoners, hun belangen inziende, boden ons de helpende hand en dit moet over het algemeen gezegd worden, dat hun houding rustig en gelaten was.

Waren wij op onze tocht naar Den Haagt tusschen Leiden en genoemde stad, reeds veel vluchtelingen tegengekomen, die met wat saamgegaarde kleederen een beter heenkomen zochten, hier in de stad zelf hield de stroom van wegtrekkenden aan. Alle mogelijke en onmogelijke wagens en wagentjes werden voor dat doel gebruikt. Ook een enkele auto en met paarden aangespannen wagens bezigde men voor dit doel.

Maar al die voertuigen moesten onder de slangen door of er overheen. En één ding viel mij op, n.l. dit, hoe ontzaglijk gezeglijk de menschen waren. Maar het stoorde ons zeer, want al die menschen moesten we helpen, met slangen optillen, of wagens opbeuren, en als ze ginder gelost waren, kwamen ze weer terug, en opnieuw riepen ze: “Brandweerman, wilt U nog even helpen?” En dan telkens moesten we ons werk in de steek laten om aan hun verzoek te voldoen.

En daar kwam geen eind aan, wij werden overstelpt met verzoeken.

“Brandwacht, weet u nog of mijn kolenvoorraad er nog ligt of dat die verbrand is?”

“Op welk nummer, juffrouw?”

“Op nummer 310.”

En even liepen we mee, en als we dan achter het uitgebrande perceel in het achterhuis of schuur naar de kolen hadden gezocht, dan rapporteerden we aan de wachtende eigenaresse wat onze bevinding was.

Dergelijke verzoeken waren legio.

In de huizen zelf, die niet geheel, doch gedeeltelijk uitgebrand waren, was het een vreeselijke verwoesting. Door de luchtdruk van de bommen was heel het huisraad “verrinneweerd”. Wat niet verbrand was, lag verspreid over de vloeren. Een geweldige ravage, zooals we dat dien dag tientallen keeren aantroffen, was waarneembaar.

In een huis lag moeders keurige linnenkast, die nog vrij goed voorzien was van allerlei wit goed, in één der slaapkamers op zijn kant op den grond. De spiegelglasdeuren waren eraf geslagen en de kast zelf had gebrand. Ook de inhoud van de kast had veel van het vuur te lijden gehad. Deels lagen de verschroeide kleeren nog in de kast en deels door de heele kamer verspreid. Maar er waren ook nog stukken bij, die van het vuur niet hadden geleden, doch wel van het water en van het omlaag gevallen brandende dak. Bovendien was er gesmolten lood van de gooten op neergevallen; terwijl er ook over geloopen was, zoodat het voorgoed was bedorven.

Dat was moeders trots: de Linnenkast.

En verder liepen we over foto’s en schilderijen, boeken met prachtbanden,  portretlijstjes, familiealbums, kerkboekjes, keukengerei, kinderkleurboeken, speelgoed, enz. enz.

Het doet een mensch niet zoo erg aan om door de totaal verwoeste en leeggebrande buizen te loopen, waarin toch niets meer valt waar te nemen en waar zelfs de vloeren niet meer zijn terug te vinden. Neen, maar wat meer tegen U spreekt, dat is zich bevinden in huizen, waarin de inboedel slechts gedeeltelijk is verbrand. Dan ziet men eigenlijk pas de ware ravage van allerlei huisraad, dat een mensch toch zoo dierbaar kan zijn.

Door brand in het holst van den nacht uit uw huis te worden verdreven of door een zichzelf macht verschaft hebbende vijand te worden weggejaagd, dat is een van de meest aangrijpende dingen, die een gewoon mensch kan overkomen.

Een mensch doet niet gaarne afstand van hetgeen zijn rechtmatig eigendom is. Hij is gehecht aan zijn woning, waarin hij zooveel heeft ondervonden.

Hij gevoelt betrekking op het huisraad, dat hij zoolang heeft gebruikt. Hij stelt prijs op de erfstukken, welke in zijn familie van het eene geslacht op het andere zijn overgegaan. Hij kan soms het heimwee niet onderdrukken naar de plaats zijner geboorte, waar eens zijn wieg heeft gestaan. Wat zichtbaar en tastbaar is, trekt ons aan.

En wie kan het hebben, dat een vreemde overweldiger dan in Uw spullen zit te wroeten, en ermee op stap gaat, of nu het vuur dat doet, of een andere vijand van den mensch ? Wie kan dat gedoogen?

En toch moesten duizenden bewoners het aanzien, hoe hun huisraad en hun gedachtenissen half verbrand,vertrapt en drijfnat de huizen uitdreven en op de stoepen en op de straten onder den voet werden geloopen.

In de Vlietstraat had Brandmeester Verkade, met den Brandwacht Pondman en een paar andere manschappen, zoomede een Vrijwillig Assistent, een Hoofdmachinist van de B.P.M., die zich ook bijzonder weerde, een zeer belangrijk werk te verrichten.

Het einde van deze straat, waar knapen van huizen stonden, was zeer zwaar geteisterd, zelfs aan beide kanten van de straat. Daar dit vlak bij de Charlotte de Bourbonstraat was, liepen we zoo nu en dan eens naar elkaar over, en we leenden elkaar manschappen.

Die hooge huizen zijn bar vermoeiend, want veel branden woedden voornamelijk boven, zoodat het naar boven brengen en later weer laten zakken der slangen zeer afmattend was. Ook moest hier vaak het dak worden opengehakt. Die B.P.M.-meneer was zijn gewicht in goud waard, want die was onvermoeid, vol ambitie en nooit liep hij een oogenblik weg.

Ook Gerrit van der Kolf was steeds bij ons ijverig werkzaam zoomede Jan Noomen. ‘ Maar ik wil de anderen niet tekort doen en deel mede, dat alle manschappen aanhoudend hun best hebben gedaan.

Ons aller vriend Bertus Kaayk, de oude getrouwe van de vroegere nummer Zes, kwam met een meneer opdagen, die een Ingenieur bleek te zijn van de Electriciteitswerken. Hij kwam om hulp vragen voor een Onderstation van zijn Bedrijf, en dat deed hij dringend, want er was brand, enkele huizen van zijn Gebouw verwijderd, dat gelegen was in de Anna van Burenstraat, en, zei de Ingenieur tegen Ber, als u niet komt gaat de zaak ‘eran’. En om zijn verzoek kracht bij te zetten gaf hij Ber een korstje en toen hij bij mij het verzoek herhaalde, kregen we er nog een.

Hij dacht zeker, die lui hebben bepaald vandaag nog niets gegeten, en die zullen wel honger hebben, dus met zoo’n korstje is zoo’n Zaansche koeketer wel te vangen. Maar we konden den heer Kakes niet vinden, dus werd de meneer troosteloos weggezonden, want wij konden van ons punt niet weg.

We aten dus de korstjes maar op en gingen met ons werk voort. Maar vriend Kaayk kwam na een half uur weer bij mij terug, met de mededeeling, dat hij nu alweer een korstje van dien meneer had gehad.

“Nu kan ik dien man toch niet weer wegzenden,” zei Ber. “Bovendien wordt de brand bij zijn station onhoudbaar…”

En toen de Ingenieur juist kwam aanloopen en ook mij weer een korstje gaf, toen werd de situatie voor ons zeer moeilijk. Bovendien waren we inmiddels met ons werk in de Charlotte de Bourbonstraat flink opgeschoten en wat doet een hongerig Brandweerman al niet voor twee korstjes?

Gelukkig kwam er uitkomst voor ons en wel in dien vorm, dat de heer Kakes en de heer Melief, de Kommandant van de Zeven, daar juist kwamen aangewandeld. Met den Electriciteitsman vertrokken ze toen naar de Anna van Burenstraat en weldra kreeg de kleine spuit order naar het opgegeven adres te gaan, waar men na eenige uren de brand volkomen had gebluscht. Maar de groote spuit bleef aan het origineele adres doorblusschen.

Enige plunderaars zagen we dood- en neerslaan en enkele zagen we door de politie fusilleren. Nog andere dergelijke gevallen deden zich voor, maar daar zullen we maar niet bij blijven stilstaan.

Eenige heeren van de Landsdrukkerij klampten den heer Kakes aan met het verzoek om assistentie voor een pand, staande vóór een zeer groot Papiermagazijn van de Landsdrukkerij, waarin zich voor een half millioen gulden aan papier bevond. Dit laatste gebouw dreigde mede verloren te gaan. Maar ook deze klant moest nog even wachten, als zijnde nog niet aan de beurt, doch zoodra de gelegenheid zich voordeed, werd ook hierheen de Babyspuit gezonden, die dit Gebouw voor den Nederlandschen Staat wist te behouden waardoor we binnenkort weer in staat hopen te zijn een Verslag van de Eerste Troonrede, na dezen oorlog, te mogen lezen.

Nog steeds werden we overstroom met allerlei vragen:

Of dat blok huizen dáár nog zou gaan branden?

Kan ik daar ginds op nummer 13 nog even in huis?

Kunnen we de kachel er nog uithalen?

Hebt u de poes nog gezien op nummer 330?

Mag ik even uw bijl om een kast open te maken?

Mag ik Uw lijn even om een groote stoel te laten zakken?

Kunnen we alweer terugkeren in perceel 190?

Een meneer van den overkant kwam aangeloopen en pakte mij bij den arm. Hij wees naar het huis van zijn overbuur, naar boven. ‘Daar begint het erg te branden,’ zei hij. Gerrit van de Zeven en ik gingen naar boven.

Ja, er zat veel vuur in, maar boven waren de deuren op slot en de bewoners konden we niet vinden. Wat ik niet kon met een bijl, deed hij met zijn vuisten. Hij sloeg de paneeltjes er uit, als waren ze van oude sigarenkistjes gemaakt. Een keuken maakte hij open.

Veel rook trok langs ons heen en de grond lag bezaaid met glas. Het plafond brandde duchtig en er vielen veel stukjes vuur omlaag. Doch niet alleen rook trok er langs ons, maar ook een kat, die vroeger de kleur gehad moet hebben van het paard van Sinterklaas, maar die meer, wat de tint betreft, deed denken aan zoo’n zelfde soort dier voor een rouwkoets gespannen.

Schichtig vloog het beest ons voorbij en zocht zijn heil onder een opgaande trap. Dat was nog niet zoo dom bekeken, want van vallend vuur had het daar voorloopig geen last. Maar toch moest poes eruit, want de brand breidde zich uit. Gerrit pakte hem kordaat, droeg hem naar buiten en zette hem aan den overkant in een portiek, maar we konden niet beletten, dat poes in het huis terug vloog en in de rook verdween. Een kat is nu eenmaal trouwer aan zijn huis dan aan zijn volk.

Toen dit perceel klaar was, trokken we twee nummers verder Op de eerste verdieping stond een voorkamer in brand door zoo pas ingewaaid vuur. Een etage hooger, achter, brandde een slaapkamer. Twee van elkander gescheiden branden in één huis. 0m deze tweede te kunnen blusschen, moesten we eerst die in de voorkamer van de eerste etage uitmaken, en daar de vlammen juist door de stukkende ruiten aan den voorkant uitsloegen, zetten we van de straat af een flinke straal naar binnen.

We hadden graag een paar ladders gehad maar die van de Autospuit was reeds elders in gebruik en de Materiaalwagen was met Kommandant Kakes naar een nieuwe brandmelding in de stad onderweg.

Zoodoende bleef er voor ons niet anders over dan van den weg af te spuiten. Zoodra we eenigszins konden, sjorden we de slang de groote breede, overwelfde stoepen op, betraden de voorkamer en in een halfuur was dit vertrek afgebluscht.

Maar de rook van het achter-bovenkamertje kwam naar beneden gewaaid om ons te vertellen dat het daarboven hoe langer, hoe slimmer werd. Daarom gingen Gerrit en zijn collega Pondman met hun slang een etage hooger. Precies op tijd, want de brand was bezig naar het zolder door te vreten, want het vuur is gelijk den tegenwoordigen mensch – het heeft nooit genoeg.

Toen wij met dit karwei nog niet geheel klaar waren, kwam ik even de stoepen af naar buiten om eens even bij een anderen klant poolshoogte te nemen, want als wij hierboven klaar waren had ik reeds nieuwe orders.

Zoodra ik mij uit de rookkolom had losgemaakt, stevenden twee dames op me af. Met zuiver Haagsch accent vroeg mij de oudste, sterk brouwende: “Brandwacht, leven mijn kanariepietjes nog?” “Kanariepietjes???”

“Ze hangen in twee kooitjes hierboven in de voorkamer op de eerste verdieping.”

“Niet gezien, Mevrouw. O, bedoelt U hier in die uitgebrande kamer?”

“Ja, ja.”

“O, die benne vast dood, Mevrouw. Die kamer is verbrand. Rook, vuur en water, daar kunnen ze niet tegen. Ze zijn vast gestikt Mevrouw.”

“O, Brandwacht, wat vreeselijk.”

We liepen met ons drieën naar het midden van den weg.

Dáár, wees ze met haar behandschoend vingertje, daar vlak bij het raam hangen twee kooien.

Ja, waarlijk, in de schamele resten van de uitgebrande kamer hingen aan den zolder aan twee lange ijzeren draden twee kooien, temidden van nog nasmeulend houtwerk en nog rondzwevende rookslieren.

En haar zakdoek naar haar mond brengend, riep ze: “O, mijn twee lieve Pietjes!”

“Wilt U probeeren ze te halen?” vroeg de oudste mij beschroomd, “of kan dat niet?”

“Ik zal het probeeren,” zei ik, “maar stelt u er zich er niets van voor, want ik zeg u, ze zijn gerookt.”

Er had zich tijdens dit gesprektamelijk veel publiek om ons heen gevormd, tuk op iets bijzonders. Ik liep al peinzende de straat over, verdween weer in de rook en walm, die van het brandende achterkamertje omlaag werd gezogen,en klom de overwelfde steenen stoepen op.

En ineens bedacht ik, dat toen ik nog in de Damstraat te Zaandam woonde, wij met Kermis een koopman tegenover onze woning hadden staan met een vischtentje, die den ganschen dag niets anders riep dan: “Gerrrookte Pietermannen!”

En, dacht ik, zoo loop ik nu straks hier in Den Haag op straat met aan elke hand een kooi! “Gerrrookte Pietermannen, gerrrookte Pietermannen!”

Ik kon er zoo niet bij. Ik moest op een stoel staan om ze af te haken. Ze hingen vlak bij de stukkende ramen, zoodat het publiek mijn verrichtingen kon zien, maar de stoelen waren verbrand. Ik keek eens rond.

Leven in de kooitjes hoorde ik niet.

Een sterke ijzeren kolenbak sleepte ik aan en die hield me… en ik haakte de twee gevangenissen af. De eene vogel zat, drijfnat, zonder teeken van leven, op den bodem. Maar toch, hij was niet dood.

De andere zat ook op den bodem, maar zoodra ik de kooi afnam, wipte hij springlevend van het eene stokje naar het andere, al sjilpend en piepend. En wie weet zou hij uit dankbaarheid voor zijn redding uit het rookerige hol nog even een schoon lied hebben aangeheven, zoo hij niet nog even de stoep af door de rook en de waterstroomen had gemoeten, eer ik met een sierlijke buiging de twee kooien aan de twee eigenaressen ter hand kon stellen. Ik dacht, ik zal in het deftige Den Haag ook deftig blijven en ze met een toespraak overhandigen, maar boven uit het raam riep zoo’n echte Zaankanter tegen me, alsof hij uit de molenkap wat aan den Blokmaalder boodschapte: “Kan uwe gauw  drs effe bove komme, d’r is een bietje drift bij,” zoo verdween ik schielijk weer, alleen zeggend tegen de dames: “Ze leven nog.” Wel hoorde ik de verheugde dames nog praten over “mijn schatjes” , maar ik vermocht niet te ontdekken, of ze daar ons, of wel de Pietermannen mee bedoelde.

Bij de totaal verwoeste perceelen kwamen veel menschen kijken of tenminste dan de kachel er nog stond. Want, redeneerden ze, als we ergens in een schuurtje terecht mogen komen, en de Overheid heeft wat eten voor ons en we hebben geen kachel, dan zitten we ten eerste in de koude en ten tweede kunnen we dan geen eten bereiden.

De heer Kakes had wat eten voor ons weten te krijgen: roode kool met suikerbieten door elkaar. In groepen gingen we eten. Onze groep stopte de ochtendbezigheden om half twee. Een bakkerij in de Eerste van den Boschstraat, hoek Schenkkade , was gebluscht. Zoomede de perceelen in de Charl. de Bourbonstraat en in de Vlietstraat.

In een kamer mochten we even vertoeven. We hadden gehoopt op een verwarmd vertrek, want reeds toen waren we drijfnat, maar dat zou niet gaan. De kachel was uit en de ramen waren eruit. De bewoonster zei eerst: “Ik heb geen borden en lepels”, maar toen ze hoorde, dat zij en haar man ook een prik warm eten mochten mee-eten, toen hadden ze ineens alles. Hoogstens een kwartier heeft dit diner geduurd.

We waren blij, dat we uit dat sombere, oude vertrek weer weg konden.

Buiten, bij de spuiten, hebben we ons toen verzameld om van den Kommandant nadere orders af te wachten, want hiermee was ons ochtendprogramma achter den rug.

Velen hadden zich dolgraag eens een half uurtje verkwikt bij een warme kachel, terwijl een lekkere kop warm drinken ons mede zeer zou hebben verkwikt, maar daar was geen raad voor, anders zou de heer Kakes er zeer zeker voor hebben gezorgd.

De Autospuit en de Materiaalwagen waren ons nog overgebleven. De babyspuit was ons ter wille van twee korstjes, ontrouw geworden.

Het middagprogram werd nog zwaarder dan dat van den morgen, maar daarover hoort ge in het tweede deel van dit verslag.

Klik hier om verder te lezen in deel 2.