Doden, vluchtelingen en plunderaars

Haagsche Courant 2 maart 1995: Doden, vluchtelingen en plunderaars

Door Herman Rosenberg

Een V-2 – uitgerekend het wapen waarop de Britten het met hun bombardement voorzien hadden – maakte in de nacht van 3 op 4 maart acht slachtoffers op de Schenkweg. Het was een van de meest cynische incidenten van de oorlog, kenmerkend voor de reddeloze chaos van het brandende Bezuidenhout.

De bommen veroorzaakten in het Bezuidenhout een onbeschrijfelijke chaos. Instortende huizen, gigantische branden, doden, gewonden en duizenden vluchtelingen. Brandweerlieden en andere hulpverleners deden wat ze konden, maar waren met te weinig en hadden bij lange na niet genoeg materieel.

Het eigenlijke bombardement duurde slechts tien minuten, maar de ontreddering op de grondwas volkomen. Velen die in doodsangst onder trappen of in kasten met pannen op hun hoofd beschutting hadden gezocht, vonden de dood in het puin. Overlevenden vluchtten de straat op en kwamen in een hel terecht. Velen kwamen daar alsnog om het leven. ‘De oude cabaretier Koos Speenhoff liep met vrouw naar buiten. Ze werden later dood voor hun huis gevonden’, aldus A.J. Stemmerding in zijn herinneringen. Sommige mensen werden gek. Stemerding: ‘Bimbergen, de goedaardige, doch immer zeer zenuwachtige man, ging voor zijn huis aan de Charlotte de Bourbonstraat papiergeld om zich heen in de lucht gooien’. J. Poot fietste vlak na de ramp over de Schenkkade. “Ik zag een vrouwenbeen met dezelfde kleur kousen als die van mijn vrouw. Maar het been had een andere schoen aan. Dus zij was het niet! Vlak daarbij lag het hoofd van een man. Er had een jasje overheen gelegen. Maar dat was opgewaaid’ , .

De Haagse brandweer stond voor een onmogelijke opgave. Tweederde van het beroepspersoneel was bij de razzia’ s in november afgevoerd naar Duitsland en ook veel rijdend materieel verdween over de grens. Bovendien was er weinig benzine. Met zes autospuiten en zeven motorspuiten bond men de strijd aan met het vuur; De druk op de waterleiding viel al snel weg door grote lekkages, die waren ontstaan tijdens het bombardement. De brandweer was aangewezen op het open water van de Bosvijver, de sloot langs de Bezuidenhoutseweg en de Schenk.

Om het brandende hart van de wijk te bereiken was maar liefst zeshonderd meter slang nodig. Dramatisch was dat vele niet getroffen huizen alsnog in brand vlogen doordat gordijnen, die door de gebroken ruiten naar buiten wapperden, vlam vatten. De sterke wind wakkerde het vuur aan.

Korte Voorhout
Het blussen verliep iets beter aan het Korte Voorhout en de Prinsessegracht, waar ‘afzwaaiers’ terecht kwamen. Door de nabijheid van de gracht en de Hofvijver was er voldoende bluswater. Voorkomen kon worden dat het vuur oversloeg naar de Koninklijke Schouwburg en het Lange Voorhout. Niettemin ging hier een zeer waardevol stukje historisch Den Haag verloren.

In de loop van de dag arriveerde hulp uit andere plaatsen. De brandweerkorpsen van Voorburg, Rijswijk, Wassenaar, Wateringen, Delft, Gouda, Waddinxveen, Leiden, Rotterdam, Vlaardingen en Schiedam rukten aan met in totaal twaalf autospuiten en zes motorspuiten. ‘s Nachts werden Amsterdam, Utrecht, Haarlem en Hilversum nog om hulp gevraagd. De hoofdstedelijke brandweer kon niet uitrukken door benzinegebrek. De Haarlemmers kwamen wel. En de volgende dag om acht uur arriveerden nog drie wagens uit Zaandam.

Het werk van de brandweer werd ernstig bemoeilijkt door de grote stroom vluchtelingen, de puinhopen in de straten en later instortende huizen. Maar er loerden nog andere, onverwachte gevaren. In de nacht van 3 op 4 maart had een van de meest cynische incidenten plaats van de hele oorlog. Een defecte V2 stortte neer op de hoek van de Schenkweg en de Ternootweg. Acht brandweerlieden, kwamen hierbij om het leven. Het wapen waar het de Britse luchtmacht om te doen was geweest, maakte zo binnen een dag na de grote aanval alweer slachtoffers. Was er een overtuigender bewijs dat het bombardement één grote miskleun was geweest?

Pas tegen zondagavond, circa anderhalf etmaal na het begin van het bombardement, waren de meeste vuurhaarden gedoofd. De motorspuiten stonden toen al een tijd droog doordat de benzine op was. De Duitsers weigerden brandstof beschikbaar te stellen.

Omvang
De volle omvang van het drama begon in de loop van zaterdag 3 maart langzaam duidelijk te worden, honderden doden en gewonden, duizenden verwoeste huizen en ruim tienduizend daklozen. Circa veertigduizend mensen probeerden uit het inferno weg te komen. Het ging richting Leidschendam, Voorburg en Rijswijk. Op het Schenkviaduct deden zich schrijnende toestanden voor.

“De vluchtenden konden bijna niet tegen de helling op”, vertelt de heer M.F. Boode, “en de vele ‘brandkijkers’ op het viaduct staken geen hand uit om de mensen te helpen”. Volgens hem ontstond er door de grote branden een soort ‘vuurstorm’, zoals die in ergere mate was opgetreden in de zwaar gebombardeerde steden Hamburg en Dresden. Het vuur veroorzaakte een soort luchtzuiging.” Boode: “Bovenop het viaduct werd je bijna weggezogen. Mijn vloerkleed, dat bovenop mijn wagentje lag, werd door de vuurstorm zwevende en ging ver voor mij uit, als een kleed in 1001-nacht.”

Cornelie Arnold-Mees woonde net aan de Voorburgse kant van het spoorwegviaduct over de Laan van Nieuw Oost-Indië. In haar dagboek, waaruit al eerder passages in deze krant zijn gepubliceerd, beschrijft zij de stroom ontredderden die uit de getroffen wijk kwam. ‘Menschen in nachtgewaad, met dekens om, kinderen, zieken, en ouden van dagen, karren vol gewonden en dooden. ‘t Was ontzettend. De lucht was verduisterd door de rookwolken, waartusschen de zon hing als een roode lampion. Dit zijn dingen die je nooit vergeet’.

Het huis van de familie Arnold zat al spoedig vol met vluchtelingen. ‘Op ‘n goed moment zaten we met 25 menschen in,huis, waarvan verschillenden door al ‘t afgrijselijke, dat ze gezien en doorgemaakt hadden, geheel over hun zenuwen waren. Ik heb soep voor hen gekookt en koffie (surogaat) gezet’.

De ziekenhuizen in de wijde omgeving van de wijk waren spoedig vol. In allerlei geïmproviseerde hulpposten probeerden artsen het lijden te verlichten. Zoals in een Voorburgs schoolgebouw. ‘Hier kamen de eerste gewonden aan’, schrijft M.J.P. van der Heijden in de Bezuidenhoutkoerier. Na een uur konden er al geen mensen meer naar de ziekenhuizen; ‘Binnen twintig minuten na onze intrede bij de hulppost waren daar reeds twintig doden en ontelbare gewonden. Arm- en beenbreuken, hoofdwonden, afgerukte lichaamsdelen, aderbloedingen, buik- en borstwonden, teveel om op te noemen. Af en toe was het ons te machtig en moesten wij bij alle ellende overgeven van afschuw”. 

Een bewoner van de Schenkstraat meldde zich bij het politiebureau met het verzoek zijn omgekomen vrouw en 14-jarig zoontje zelf te mogen begraven. De resten van het kind droeg hij in een doek bij zich. “Dit is de zool van zijn schoen en de mecanoodoos waarmee hij altijd speelde” zei hij tegen de dienstdoende politieman, “Ik zou het verschrikkelijk vinden wanneer de resten van mijn zoon in een gemeenschappelijk graf werden bijgezet en verzoek dringend om die tegelijk met mijn overleden vrouw te mogen begraven”. ‘Door het verlenen van verlof tot begraven zal enige balsem in de diep geslagen wonden worden gegoten, besloot de agent zijn rapport.

De politie moest echter ook hard optreden. Al kort na het bombardement doken de eerste plunderaarsop, die verlaten huizen binnendrongen om te zien of er nog iets van hun gading was achtergebleven. Ook is gerapporteerd dat mensen zich vergrepen aan de ontzielde lichamen van slachtoffers en zich meester maakten van juwelen en andere kostbaarheden. Ruim honderd plunderaars zijn gearresteerd. Sommigen werden korte tijd later door de Duitsers of de Landwacht doodgeschoten. Razende buurtbewoners, zo wordt verteld, hebben verschillende dieven doodgeslagen.

Bezuidenhouter P. Greijer zag op de Herengracht bij de Zwarteweg Duitse soldaten met gegrepen plunderaars. “Daar stonden twee volwassen kerels van een jaar of veertig met een strop om hun nek en met een bord: ‘Ik ben een plunderaar, morgen word ik doodgeschoten’. Dit vond ik vreselijk. Het was bekend dat er heel wat schorriemorrie rondliep om te plunderen. Want een dag daarna zijn er ook een stel dingen uit ons huis gestolen. En dan stond je daar als jongetje voor die man. Die keek zo naar mij. Ik vond het nog erger dan bet hele bombardement. Toen kwam er een Nederlander en die zegt die man: ‘Jullie mogen blij zijn, dat ‘je doodgeschoten wordt, want ik zou je darmen uit je verdommenis halen’.

De destijds tienjarige Th. von Scheven heeft een gelijksoortige herinnering, al spreekt hij dan over vier mannen en een vrouw. “Ze waren vastgebonden aaneen ijzeren gevelhek. Op de grond lagen de bewijsstukken: gereedschap en, je gelooft het niet, afgesneden vingers van rijken met daaraan gouden ringen. Het maakte een onuitwisbare indruk op me”.

Pas eind mei 1945, toen de puinhopen doorzocht waren, kon de balans van het drama worden opgemaakt, al waren toen nog lang met alle lichamen geïdentificeerd. Er vielen 520 doden en er waren 230 zwaar gewonden. Ruim 3300 huizen lagen in puin, 1200 woningen raakten zwaar beschadigd. Twaalfduizend mensen werden dakloos.

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van het boek ‘Luchtgevaar! van A, Korthals Altes (1984), de Bezuidenhoutkoerier van februari 1995 en het dagboek van C. Arnold-Mees, en van schriftelijke en mondelinge mededelingen van J. Borsboom, Th. volt Scheven, M,F. Boode, J, Poot en A.J. Stemerding †.