Dhr. Wiekenkamp

Artikel uit Haagsche Courant van 16-08-2002: ’Tierstraat’

Ik ben in juni 1944 geboren in de 2e De Carpentierstraat 161. De bewoners in deze straat zeiden “Tierstraat” en de bewoners er omheen zeiden “Tjeestraat” en dat gaf een duidelijk onderscheid. Als lagereschoolkind begreep ik volkomen de twee van mijn straat, want de eerste was een heel klein straatje ver, heel ver weg bij de Bezuidenhoutseweg, daar waar de rand van het Haagse Bos was. Daar tussenin en op 50 tot 100 meter afstand van mijn huis was “’t Puin”, groots en weids en met verborgen geheimen, een gebied waar de natuur vrij spel had.

Als baby heb ik het ontstaan van deze woestheid meegemaakt. Op 3 maart bombardeerden de geallieerde vliegtuigen Bezuidenhout. Mijn vader vertelde dat hij in de erker van ons huis stond, de bommen zag vallen en de huizen zag instorten. “Het duurde maar heel kort”, vertelde hij, “want binnen een minuut golfde een enorme stofwolk door de straat en werd het donker”. Mijn moeder wilde vluchten, maar pa zei dat ze binnen veel meer kans hadden te overleven. Hij had gelijk. Mijn wieg was op een beschutte plek in de gang gezet en schudde zo heen en weer, dat ik het uitgilde van de lach, zo werd mij later verteld. Toen ze dachten dat het wat veiliger was, gingen mijn ouders toch hun huis uit, want je wist nooit. Toen ze nauwelijks in de Johan van Hoornstraat waren aangekomen, gingen de sirenes weer en vluchtten ze de slagerij van Ammerlaan binnen. Toen ze weer naar buiten konden, begon de grote wandeling van mijn ouders en waarschijnlijk mijn grootste rit per kinderkar ooit. Mijn moeder keek strak voor zich uit en bleek later grote delen van wat er om haar heen gebeurde verdrongen te hebben. Mijn vader verhaalde over de kreperende mensen langs en op de weg.

Het ging richting mijn grootouders die in Schiedam woonden. Nu wisten deze mensen al dat er een ramp in Den Haag was gebeurd. Door de enorme windhoos die zo’n bombardement veroorzaakt, dwarrelden er blaadjes uit de bijbeltjes en gezangboeken van de Wilhelminakerk bij hen in de straat en de paniek sloeg toe: die kerk was bij mijn ouders om de hoek. Tante Aad, een zus van mijn moeder, schijnt nog een fiets gehad te hebben en zij is langs de Schie richting Den Haag gaan rijden. Mijn ouders ontmoetten haar op die weg aan de waterkant. Aad bleef bij zus en haar baby en mijn pa stapte op de fiets om vooruit te gaan, om de rest van de familie te vertellen en te laten zien dat iedereen ongedeerd was. Hij reed nog bijna van stijfheid het water in, maar kwam goed aan in Schiedam.

Dit is het verhaal zoals ik het als jongen kende. In mijn eigen herinnering bestond Het Puin al voor vele eeuwen. Uitgestrekte vlakten vol geheimzinnige plekken en muurtjes die afgebrokkeld waren en altijd grote moerasachtige plassen. Op de grens van mijn straat en van dat grootse gebied stond een synagoge, “maar”, zo vertelden mijn ouders, “deze wordt gebruikt door de hervormden, omdat de joodse mensen niet meer terugkwamen na de oorlog, omdat ze vermoord zijn”. Soms ging ik mee naar die dienst en tijdens de eeuwigheid dat die duurde, stelde ik mij baardige gezichten voor, die van achter de gordijnen voor altijd naar ons staarden; schimmen die geen rust meer hadden, omdat ze in concentratiekampen hadden gewoond. In mijn herinneringen ben ik er altijd alleen maar geweest als het nacht was en wanneer de dienst was afgelopen, was ik erg blij dat ik de bescherming had van een sterke vader. Het Puin was dan immens groot en erg donker .
Maar bij licht durfde ik wel en zag ik de æeeuwige jachtpuinveldenÆ liggen, waar Uncas, de laatste der Mohicanen, in rondtoerde. Het werd een speelplaats voor mij en mijn vriendjes die mytische proporties kreeg. Overal waren paadjes door mensenvoeten en fietsbanden platgetreden en: de kortste weg naar de tram- en bushaltes op de Laan van Nieuw Oost-Indië, maar ook naar de groenteboer. Vaak zwierf ik op mijn step alleen rond en voelde mij de man die dr. Livingstone zocht in een woest werelddeel. Ik had meer vriendjes uit de van Imhoffstraat dan uit mijn eigen straat en met elkaar trokken we op woensdagmiddagen op avontuur, ontmoetten de jongens uit de Ternootstraat en dan werd het knokken. Doordat men aan de randen alweer huizen begon te bouwen, konden wij plastic blaaspijpen en houten stokken aanschaffen. In mijn gedachten hadden er vele veldslagen plaats. Soms won je en dan moest je weer wegrennen en de tuinen invluchten. Zo was het puin mijn heden en verleden in mijn kindertijd.

H. Wiekenkamp | Den Haag

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *